Magazine van de stichting Vrienden van het Boeddhisme - najaar 2017
WELKOM TEKSTEN ARCHIEF STICHTING CONTACT LINKS ZOEKEN
Het Diamant-sūtra  •  Vesali-sutta  •  Godhika-sutta  •  Channa-sutta  •  Vakkali-sutta  •  Aṅgulimāla-sutta
Siṅgālovāda-sutta

Siṅgālovāda-sutta
De adviezen aan Siṅgālaka

INLEIDING

Dit sutta is opmerkelijk, omdat de Boeddha hier het woord richt tot een leek en niet tot een groep monniken, zoals meestal het geval is. Hij predikt een moraal voor leken, waarbij hij als uitgangspunt neemt de verering van de windstreken. Deze werden in oude tijden vereerd om bescherming te verkrijgen van de daar residerende goden. De Boeddha vervangt de goden door zes groepen mensen, namelijk ouders (in het oosten), leraren (in het zuiden), zoons en vrouw (in het westen), vrienden en metgezellen (in het noorden), bedienden (in het nadir) en asceten en brahmanen (in het zenit). Wanneer men hen vereert door zich op de juiste wijze tegenover hen te gedragen, zullen zij op hun beurt bescherming bieden aan degene die hen hoog houdt. (Van de nakomelingen worden alleen de zoons genoemd, omdat alleen mannen de overledenen, de peta’s, met offers kunnen verzorgen).

De Boeddha verblijft in Rājagaha, in het Bamboebos bij de Eekhoornvoederplaats. Hij gaat naar de stad om voedsel te bedelen en ziet onderweg de burgerzoon Siṅgālaka een religieus ceremonieel uitvoeren, waarbij hij buigt in alle zes de hemelstreken. Hij vraagt aan Siṅgālaka, die zojuist een bad in de rivier genomen heeft en nog met natte kleren en haren op de oever staat, waarom hij dat doet. De man antwoordt dat hij zo handelt uit respect voor zijn vaders woorden. De Boeddha zegt dat dit niet de juiste wijze is om eerbied te betuigen aan de zes hemelstreken. Siṅgālaka vraagt wat dan wel de juiste wijze is. De Boeddha legt uit dat door het opgeven van de vier verdorven wijzen van handelen, de vier geestestoestanden die bronnen van het kwaad zijn en de zes wegen die tot verlies van rijkdom leiden, de zes hemelstreken worden geëerd en geluk verzekerd is in dit leven en in het volgende.
Na een uiteenzetting over de vier soorten vijanden die zich voordoen als vrienden en de vier soorten echte vrienden legt de Boeddha uit hoe de zes hemelstreken eigenlijk opgevat moeten worden (zie hierboven). Er zijn vijf manieren waarop ieder van deze categorieën geëerd moeten worden en vijf manieren waarop zij de hun geboden verzorging vergoeden. Siṅgālaka is verheugd over de uiteenzetting, neemt zijn toevlucht tot Boeddha, Dhamma en Saṅgha en vraagt om als lekenvolgeling aangenomen te worden.

[180] ALDUS HEB IK GEHOORD.
1. Eens verbleef de Verhevene te Rājagaha in het Bamboebos bij de eekhoornvoederplaats. Het was in die tijd dat de burgerzoon, Siṅgālaka, vroeg opstond, Rājagaha verliet en met natte kleren en natte haren1 eerbiedig met gevouwen handen naar elke hemelstreek boog, naar het oosten, naar het zuiden, naar het westen, naar het noorden, naar het nadir en naar het zenit.
2. Op datzelfde moment ging de Verhevene, die zich vroeg in de ochtend aangekleed had, met zijn mantel en bedelnap Rājagaha in om voedsel bijeen te bedelen. Hij zag Siṅgālaka, die alle hemelstreken eer aan het bewijzen was, en sprak de volgende woorden tot hem:
‘Burgerzoon, waarom buig je naar alle kanten?’ [181]
‘Mijn vader, Heer, zei, toen hij stierf: “Jongen, je moet regelmatig eer bewijzen aan de hemelstreken.” Ik eerbiedig en respecteer de woorden van mijn vader. Daarom sta ik ’s ochtends vroeg op, verlaat ik Rājagaha en buig ik met natte kleren en natte haren eerbiedig met gevouwen handen naar alle hemelstreken.’
‘Burgerzoon, in de levensdiscipline van een edele moeten de zes hemelstreken niet zo geëerd worden.’
‘Hoe moet dat dan gebeuren, Heer? Weest u zo goed mij te onderrichten in de manier waarop de zes hemelstreken in de levensdiscipline van een edele geëerd moeten worden.’
‘Welnu dan, burgerzoon, luister en neem goed ter harte wat ik ga zeggen.’
‘Goed, Heer’, gaf Siṅgālaka de Verhevene ten antwoord. De Verhevene sprak als volgt:
3. ‘Indien, burgerzoon, de vier wijzen van verdorven handelen door een leerling van de edelen worden opgegeven, hij niet meer slecht handelt ten gevolge van vier geestestoestanden en de zes wegen vermijdt die leiden tot verlies van rijkdom, dan bestrijkt hij, doordat hij afstand heeft genomen van deze veertien kwade zaken, de zes hemelstreken. Hij is op weg beide werelden te veroveren, voor hem worden zowel deze wereld als de volgende volmaakt gelukkig. Na de ontbinding van het lichaam, na de dood wordt hij wedergeboren op een goede bestemming, in een hemelse wereld. En wat zijn de vier wijzen van verdorven handelen die door hem worden opgegeven? Het doden van levende wezens is een verdorven handeling, het nemen van wat niet gegeven is, is een verdorven handeling, seksueel wangedrag is een verdorven handeling, liegen is een verdorven handeling. Dit zijn de vier verdorven handelingen die door hem opgegeven worden.’
4. Aldus sprak de Verhevene en hij, de Gezegende, de Leraar voegde daar nog aan toe: [182]

‘Doden, stelen en liegen worden genoemd
en ook overspel keuren de wijzen niet goed.’

5. 'Door welke vier geestestoestanden handelt hij niet meer slecht? Als hij overgeleverd is aan verlangen of aan haat of aan verwarring of aan angst, dan handelt hij slecht. Maar als een leerling van de edelen niet overgeleverd is aan verlangen of aan haat of aan verwarring of aan angst, dan handelt hij niet meer slecht door deze vier geestestoestanden.'
6. Aldus sprak de Verhevene en hij, de Gezegende, de Leraar voegde daar nog aan toe:

‘Verlangen, haat, angst, verwarring –
wie daardoor de Dhamma overtreedt,
van hem zal de faam tanen,
zoals het licht van de afnemende maan.

Verlangen, haat, angst, verwarring –
wie daardoor de Dhamma niet overtreedt,
van hem zal de faam toenemen,
zoals het licht van de wassende maan.’

7. ‘Wat zijn de zes wegen die leiden tot verlies van rijkdom? Het zich overgeven aan een toestand van dronkenschap ten gevolge van het gebruik van allerlei soorten sterke drank is een weg die leidt tot verlies van rijkdom; het bij nacht en ontij over straat zwalken, het afschuimen van kermissen, het zich overgeven aan de roes van het dobbelen, het omgaan met slechte vrienden en het zich overgeven aan ledigheid zijn wegen die leiden tot verlies van rijkdom.
8. Burgerzoon, het zich overgeven aan een toestand van dronkenschap ten gevolge van het gebruik van allerlei soorten sterke drank levert zes nadelen op: het leidt op korte termijn al tot verlies van geld, het leidt tot een toename van ruzies, men wordt vatbaar voor ziekten, het levert een slechte naam op, [183] het leidt tot schaamteloosheid en het verzwakt het verstand als zesde punt. Dit zijn de zes nadelen verbonden aan het zich overgeven aan een toestand van dronkenschap ten gevolge van het gebruik van allerlei soorten sterke drank.
9. Burgerzoon, er zijn eveneens zes nadelen verbonden aan het bij nacht en ontij over straat zwalken: men is zelf kwetsbaar en onbeschermd, zijn vrouw en kinderen zijn kwetsbaar en onbeschermd, zijn eigendommen zijn kwetsbaar en onbeschermd, men wordt verdacht van slechte dingen, er gaan onware verhalen over hem de ronde doen en men is blootgesteld aan allerlei vervelende dingen. Dit zijn de zes nadelen verbonden aan het bij nacht en ontij over straat zwalken.
10. Burgerzoon, het afschuimen van kermissen levert ook zes nadelen op. Men vraagt zich voortdurend onrustig af: “Waar is het dansen? Waar is het zingen? Waar is de muziek? Waar wordt gedeclameerd? Waar rinkelen de cimbalen? Waar roffelen de trommels?” Dit zijn de zes nadelen verbonden aan het afschuimen van kermissen.
11. Burgerzoon, ook het zich overgeven aan de roes van het dobbelen levert zes nadelen op: de winnaar verwerft zich een vijand; de verliezer heeft een verlies te betreuren; het leidt op korte termijn al tot verlies van geld; in een vergadering worden de woorden van een dobbelaar niet gehoord; hij wordt geminacht door zijn vrienden en kennissen; hij is niet gewild als huwelijkskandidaat, want een dobbelaar is een type mens dat niet in staat is een vrouw te onderhouden. Dit zijn de zes nadelen verbonden aan het zich overgeven aan de roes van het dobbelen.
12. Burgerzoon, de omgang met slechte vrienden levert eveneens zes nadelen op: zijn vrienden en metgezellen zijn gokkers, losbollen, drinkebroers, oplichters, bedriegers, geweldplegers. [184] Dit zijn de zes nadelen verbonden aan de omgang met slechte vrienden.
13. Burgerzoon, ook het toegeven aan ledigheid levert zes nadelen op: zeggend “het is te koud”, werkt men niet; zeggend “het is te warm”, werkt men niet; zeggend “het is te laat”, werkt men niet; zeggend “het is te vroeg”, werkt men niet; zeggend “ik ben te hongerig”, werkt men niet; zeggend “ik heb teveel gegeten”, werkt men niet. Terwijl men zo steeds maar uitvluchten verzint om zich aan zijn taak te onttrekken, verdient men niets en wat men bezit wordt opgeteerd. Dit zijn de zes nadelen verbonden aan het toegeven aan ledigheid.
14. Aldus sprak de Verhevene en hij, de Gezegende, de Leraar voegde daar nog aan toe:

‘Sommigen zijn een drinkmaat voor je,
sommigen noemen je “beste kerel”,
maar wanneer de nood aan de man komt,
leer je pas je echte vrienden kennen.

Slapen na zonsopgang,
achter andermans vrouw aan zitten,
ruzie zoeken, iemand benadelen,
slechte vrienden en grote gierigheid –
deze zes dingen richten een man te gronde.

De man die omgaat met slechte vrienden,
en zich op het slechte pad begeeft –
die gaat in beide werelden ten onder,
in deze wereld en in de andere.

Dobbelen, vrouwen, drank, dans en zang,
slapen overdag en rondspoken bij nacht,
slechte vrienden en grote gierigheid –
deze dingen2 richten een man te gronde.

Met dobbelstenen gokken ze, ze drinken wijn,
ze gaan naar vrouwen, anderen zo dierbaar als het leven.
[185] Wie het laag bij de grond zoekt
en niet zichzelf vol ontplooit,
kwijnt weg als de afnemende maan.

De zuiplap die zonder geld, zonder iets,
dorstig drinkend kroegen afloopt,
hij duikt in schulden als een steen in het water,
en zal spoedig zijn familie verliezen.

Wie de gewoonte heeft overdag te slapen
en de nacht ziet als tijd om op te staan,
altijd een dronken losbol is,
hij is niet in staat een huis te bewonen.

“Te koud, te warm, te laat!” roepen ze
en laten hun werkzaamheden liggen.
Zo gaan de kansen aan die jongens voorbij.

Wie kou of hitte onverschillig zijn,
als gras zo weinig van belang,
zijn plichten waarneemt als een man –
zijn geluk zal hem niet verlaten.’

15. ‘Burgerzoon, er zijn vier typen die zich voordoen als vrienden, maar die beschouwd moeten worden als vijanden: de uitvreter, de veelbelover, de vleier, de makker die je meesleurt in het verderf.
16. Aan vier dingen kan men de uitvreter [186] herkennen: hij is iemand die alleen maar neemt en niets geeft; voor weinig verlangt hij veel; alleen uit vrees doet hij zijn plicht; hij heeft alleen het eigenbelang op het oog.
17. Aan vier dingen kan men de veelbelover herkennen: hij beweert je in het verleden uitgenodigd te hebben [maar je bent helaas niet gekomen]; hij belooft je in de toekomst uit te nodigen; hij paait je met lege praatjes; als er nú iets gedaan moet worden, toont hij aan dat het hem slecht uitkomt.
18. Aan vier dingen kan men de vleier herkennen: hij stemt in met zowel de slechte als de goede dingen van iemand; in zijn aanwezigheid prijst hij hem; tegenover een ander valt hij hem af.
19. Aan vier dingen kan men de makker die je meesleurt in het verderf herkennen: hij is je drinkmaat; hij zwerft met je bij nacht en ontij over straat; hij loopt kermissen met je af; hij geeft zich met je over aan de roes van het dobbelspel.’
20. Aldus sprak de Verhevene en hij, de Gezegende, de Leraar voegde daar nog aan toe:

‘De vriend die op je parasiteert,
de vriend die je van alles belooft,
degene die je naar de mond praat
en hij die je meesleurt in het verderf –

deze vier herkent de wijze
als evenzovele vijanden
en hij houde zich verre van hen,
zoals van een weg vol gevaren.’ [187]

21. ‘Burgerzoon, er zijn deze vier typen vrienden die men kan beschouwen als betrouwbaar: degene die je helpt; degene die lief en leed met je deelt; hij die je vertelt wat heilzaam is [ook al is het niet altijd aangenaam]; hij die met je meeleeft.
22. Aan vier dingen kan men de helper herkennen: hij past op je als je dronken bent; hij past dan op je bezittingen; hij is je toevlucht als je bang bent; bij allerlei zich voordoende taken die verricht moeten worden, levert hij een dubbele geldelijke bijdrage.3
23. Aan vier dingen kan men degene die lief en leed met je deelt herkennen: hij vertelt je zijn geheimen; hij bewaart jouw geheimen; als het je slecht gaat, laat hij je niet in de steek; zelfs zijn leven zet hij ten behoeve van jou op het spel.
24. Aan vier dingen kan men degene die je vertelt wat heilzaam is, herkennen: hij houdt je van het slechte af; hij spoort aan tot het goede; hij brengt je op de hoogte van [iets heilzaams] wat je nog niet gehoord hebt; hij wijst je de weg naar de hemel.
25. Aan vier dingen kan men de vriend die met je meeleeft herkennen: hij verheugt zich niet over je tegenspoed; hij verheugt zich in je voorspoed; degenen die op je afgeven, legt hij het zwijgen op; degenen die je [terecht] prijzen, valt hij bij.’
26. Aldus sprak de Verhevene en hij, de Gezegende, de Leraar voegde daar nog aan toe:
[188]

‘De vriend die een helper is
en de vriend bij geluk en leed,
de vriend die goede dingen zegt,
en de vriend die met je meeleeft –
deze vier herkent de wijze als vrienden,
hij bejegene hen met respect,
als een moeder haar bloedeigen zoon.

De wijze volmaakt in deugd
straalt als een laaiend vuur.
Zoals voor een bezige bij,
die rijkdommen verzamelt,
stapelen zijn rijkdommen zich op,
zoals een mierenhoop aangroeit.
Als huishouder zo rijkdommen vergarend
is hij echt een zegen voor zijn familie.

Hij verdele zijn rijkdommen in vieren.
Zo waarlijk bindt hij vrienden aan zich:
van één deel moge hij genieten,
twee delen moet hij investeren
en het vierde deel zette hij apart,
dat zal dienen voor tijden van nood.’

27. ‘En hoe, burgerzoon, bestrijkt een leerling van de edelen de zes hemelstreken? Hij dient de volgende mensen als de zes hemelstreken te beschouwen: zijn moeder en vader als het oosten; [189] zijn leermeesters als het zuiden; zijn zoons en vrouw als het westen; zijn vrienden en kennissen als het noorden; zijn slaven en dienaren als het nadir; en de asceten en brahmanen als het zenit.
28. Op vijf manieren dient een zoon de oostelijke hemelstreek, zijn vader en moeder, in ere te houden: “Daar ik onderhouden ben door hen, zal ik hen nu onderhouden; ik zal hun taak overnemen; ik zal de familiestamboom in stand houden;4 ik zal mijn plichten als erfgenaam volbrengen; en als ze gestorven zijn, zal ik aan hen offergaven doen toekomen.” Als zij zo in ere gehouden worden, dan bekommeren zij zich op vijf manieren om hun zoon: zij houden hem af van het slechte; ze ondersteunen hem in het goede; ze laten hem een vak leren; ze verenigen hem met een geschikte vrouw; ze laten hem te zijner tijd een erfenis na. Zo wordt de oostelijke hemelstreek door hem bestreken, is deze veilig en zonder gevaar.
29. Op vijf manieren dient een inwonende leerling de zuidelijke hemelstreek, zijn leermeesters, in ere te houden: door voor ze op te staan; door ze te bedienen; door goed naar hen te luisteren; door ze te eren; door het vak dat ze leren respectvol in zich op te nemen. Als zij zo in ere gehouden worden, dan bekommeren zij zich op vijf manieren om hun leerling: ze geven hem goede leiding; ze prenten hem de leerstof goed in; alle overgeleverde ambachtelijke kennis delen ze hem mee; ze prijzen hem onder zijn vrienden en kennissen; ze bieden hem veiligheid in alle windstreken. [190] Zo wordt de zuidelijke hemelstreek door hem bestreken, is deze veilig en zonder gevaar.
30. Op vijf manieren dient een echtgenoot de westelijke hemelstreek, zijn vrouw, in ere te houden: door haar te respecteren, door hoffelijkheid, door huwelijkstrouw, door het overdragen van gezag, door haar sieraden te schenken. Als zij zo in ere wordt gehouden, dan bekommert zij zich op vijf manieren om haar echtgenoot: ze doet haar werk ordelijk; ze bejegent haar omgeving vriendelijk; ze is niet overspelig; ze waakt over de voorraden; ze vervult al haar taken vaardig en ijverig. Zo wordt de westelijke hemelstreek door hem bestreken, is deze veilig en zonder gevaar.
31. Op vijf manieren dient een zoon van goede familie de noordelijke hemelstreek, zijn vrienden en kennissen, in ere te houden: door geschenken te geven; door vriendelijke woorden; door hulpvaardigheid; door onpartijdigheid; door betrouwbaarheid. Als zij zo in ere gehouden worden, dan bekommeren zij zich op vijf manieren om die zoon van goede familie: ze beschermen hem, als hij dronken is; ze bewaken zijn bezit als hij teveel gedronken heeft; ze zijn een toevlucht voor hem, als hij in gevaar verkeert; bij tegenspoed laten ze hem niet in de steek; en ze houden zijn nageslacht in ere. Zo wordt de noordelijke hemelstreek door hem bestreken, is deze veilig en zonder gevaar.
32. Op vijf manieren dient een meester [191] het nadir, zijn slaven en dienaren, in ere te houden: door hun werk toe te bedelen in overeenstemming met hun krachten; door hun voedsel en loon te verschaffen; door ze, als ze ziek zijn, te verzorgen; door bijzondere lekkernijen met hen te delen; door ze bij tijd en wijle vrijaf te geven. Als zij zo in ere gehouden worden, dan bekommeren zij zich op vijf manieren om hun meester: ze staan eerder dan hij op; ze gaan na hem naar bed; ze bestelen hem niet; ze verrichten hun werk goed; en ze dragen zijn goede naam en faam uit. Zo wordt het nadir door hem bestreken, is dit veilig en zonder gevaar.
33. Op vijf manieren dient een zoon van goede familie het zenit, de asceten en brahmanen, in ere te houden: door vriendelijke daden, woorden en gedachten, door zijn deur voor hen open te houden en door in hun materiële behoeften te voorzien. Als zij zo in ere gehouden worden, dan bekommeren zij zich op vijf manieren om de zoon van goede familie: zij houden hem van het kwade af; zij sporen hem aan tot het goede; zij bekommeren zich met welwillende gedachten om hem; zij brengen hem op de hoogte van [het heilzame] wat hij nog niet gehoord heeft; ze helpen hem wat hij gehoord heeft te realiseren; ze wijzen hem de weg naar de hemel. Zo wordt het zenit door hem bestreken, is dit veilig en zonder gevaar.’
34. Aldus sprak de Verhevene en hij, de Gezegende, de Leraar voegde daar nog aan toe:

‘Moeder en vader zijn het oosten,
de leraren zijn het zuiden, [192]
zoons en vrouw zijn het westen,
vrienden en kennissen zijn het noorden,
slaven en dienaren zijn het nadir,
asceten en brahmanen zijn het zenit.
Laat de huishouder deze hemelstreken eer bewijzen,
dan is hij een zegen voor zijn familie.
De wijze die volmaakt is in deugd,
zachtmoedig en geïnspireerd,
bescheiden in gedrag en meegaand –
zo iemand verwerft grote naam.
Wie energiek en ijverig is,
bij moeilijkheden niet beeft,
zich voorbeeldig en wijs gedraagt –
zo iemand verwerft grote naam.
Wie sympathiek is, makkelijk vrienden maakt,
toegankelijk is en vrijgevig,
een leidsman, een gids en middelaar –
zo iemand verwerft grote naam.
Vrijgevigheid en vriendelijke taal,
handelen voor anderen van nut,
onpartijdigheid bij geschillen,
altijd een rechtvaardig oordeel vellen –
dit is de ware medemenselijkheid
[die de wereld draaiend houdt],5
als de aspin van een voortgaande wagen.
Zonder die medemenselijkheid zou geen moeder
van haar zoon respect of toewijding ontvangen
of een vader van de kant van zijn zoon.
Maar omdat de wijzen haar in acht nemen,
deze ware medemenselijkheid, [193]
daarom bereiken zij grootheid
en valt hun lof ten deel.’

35. Na die woorden sprak de burgerzoon Siṅgālaka de volgende woorden tot de Verhevene: ‘Voortreffelijk, Heer, voortreffelijk, Heer! Het is alsof iemand wat omvergeworpen was, weer overeind heeft gezet, wat verborgen was, onthuld heeft, iemand die verdwaald was, de weg heeft gewezen en een olielamp in de duisternis heeft gebracht, zodat zij die ogen hebben, vormen kunnen zien. Evenzo heeft de Verhevene op velerlei wijzen de Dhamma verhelderd. Daarom, Heer, neem ik mijn toevlucht tot de Verhevene, tot de Dhamma en tot de gemeenschap van monniken; laat de Verhevene mij vanaf vandaag voor de rest van mijn leven als lekenvolgeling beschouwen, die zijn toevlucht genomen heeft.’ (DN 31 = III 180-193)


__________________
1 Dat wil zeggen: na een ritueel bad te hebben genomen.
2 In het Pali staat eigenlijk 'zes dingen', maar dit aantal klopt niet en is waarschijnlijk klakkeloos overgenomen uit de tweede strofe van deze paragraaf, waar het wel klopt.
3 Als er bijvoorbeeld een reparatie aan je huis verricht moet worden en je vraagt hem duizend gulden, dan geeft hij je tweeduizend gulden.
4 Dat wil zeggen: mannelijke nakomelingen verwekken, die ook weer de voorouders (peta's) kunnen verzorgen.
5 Aldus het commentaar van Buddhaghosa.