Magazine van de stichting Vrienden van het Boeddhisme - lente 2017
WELKOM TEKSTEN ARCHIEF STICHTING CONTACT LINKS ZOEKEN
Het Diamant-sūtra  •  Vesali-sutta  •  Godhika-sutta  •  Channa-sutta  •  Vakkali-sutta  •  Aṅgulimāla-sutta
Siṅgālovāda-sutta

Het Diamant-sūtra

Uit het Sanskriet vertaald, ingeleid en van commentaar voorzien door prof. dr. Rob Janssen

et sūtra van de 'Diamantsnijder' (Vajracchedikā Prajñāpāramitā), dat beter bekend is onder de naam 'Diamant-sūtra', is een mahāyāna-sūtra dat behoort tot de Prajñāpāramitā-literatuur, dat wil zeggen de teksten die de 'Perfectie van Inzicht' (Prajñāpāramitā) tot onderwerp hebben. Het mahāyāna kent zes perfecties (pāramitā) of deugden, die door de Bodhisattva beoefend moeten worden om tot Verlichting te komen. De 'perfectie van inzicht' is de laatste en de meest belangrijke.

Het sūtra behoort tot de oudste mahāyāna-teksten en is geschreven in het Sanskriet in de eerste eeuwen van onze jaartelling, in ieder geval vóór 402 na Chr., toen de eerste vertaling in het Chinees door Kumārajīva verscheen. Later zouden er nog vijf volgen. Er zijn verscheidene vertalingen gemaakt in het Tibetaans, Mongools, Manchu en zelfs in het Sogdisch.

De tekst was en is zeer populair onder mahāyāna-boeddhisten in Oost en West. Het sūtra heeft vooral een grote invloed uitgeoefend op zen en het Tibetaans boeddhisme. Er zijn vertalingen verschenen in het Frans, Duits en Engels. Dit is de eerste vertaling in het Nederlands, gebaseerd op de Sanskriet-tekst uitgegeven door Conze (1957).

De tekst bestaat uit twee delen en tweeëndertig hoofdstukjes. Het eerste gedeelte omvat twaalf hoofdstukken, die waarschijnlijk het oorspronkelijke sūtra uitmaakten. De overige tekst is, naar men vermoedt, later toegevoegd en heeft veel minder diepgang. Het eerste deel is redelijk coherent, terwijl het tweede deel zelfs voor geleerden als Vasubandhu, Asaṅga en Kamalaśīla, die in de eerste eeuwen na Chr. leefden en er commentaren op schreven, duister bleef.

Volgens Conze zijn wellicht de palmbladen van het tweede deel van het oorspronkelijke manuscript door elkaar geraakt ofwel bestaat dit gedeelte uit een mengelmoes van losse uitspraken. Volgens Sangharakshita (1985) heeft een Ch'an-meester uit de Ming-dynastie een bevredigende oplossing voor het raadsel gevonden.

Han-shan ─ zo heet hij ─ zegt in zijn commentaar op dit sūtra dat de tekst bedoeld is om de Diamanten Geest van de Boeddha te openbaren, waardoor de twijfels van de mensen worden ‘afgesneden’ en hun geloof wordt gewekt. Boeddha ontzenuwt namelijk in de loop van zijn dialoog met Subhūti diens twijfels, die oprezen toen laatstgenoemde luisterde naar het betoog van de Boeddha. De ogenschijnlijke wanorde in het tweede deel van het sūtra is te wijten aan de onuitgesproken twijfels van Subhūti, die de Boeddha echter kende en waarop hij reageerde. Vasubandhu registreerde reeds 27 twijfels en Han-shan 35. Deze twijfels betreffen onder andere de ware aard van de Boeddha, de Dharma, waarin ogenschijnlijke tegenspraak te vinden is, en het vermogen van de leerling om deze sublieme leringen te begrijpen en in praktijk te brengen.

De eerste zestien hoofdstukken zouden 17 grove twijfels behandelen en in de laatste zestien hoofdstukken zouden 18 meer subtiele twijfels aan de orde gesteld worden. Hoe dit ook zij, we zullen de tekst zo veel mogelijk voor zichzelf laten spreken. Er zijn overigens meer dan honderd commentaren verschenen in het Sanskriet, Tibetaans en Chinees.

De Sanskriet-tekst bestaat uit tweeëndertig hoofdstukken. In de onderstaande vertaling wordt steeds na enkele hoofdstukken enig commentaar gegeven om de lezer te helpen de moeilijke tekst te begrijpen.

Namo Bhagavatyai Prajñāpāramitāyai
Eer aan de Verheven Edele Perfectie van lnzicht

1. Aldus heb ik op een keer gehoord.
De Verhevene verbleef eens in Śrāvastī, in het Jeta-bos, het park van Anāthapiṇḍada, samen met een grote schare van monniken, bestaande uit 1250 monniken, en met vele Bodhisattva’s, grote wezens. Toen dan vroeg in de morgen kleedde de Verhevene zich, nam zijn mantel en zijn bedelnap op en ging de grote stad Śrāvastī binnen voor een bedelronde.

Na in de grote stad Śrāvastī rondgegaan te zijn om te bedelen en na gegeten te hebben legde de Verhevene, teruggekomen van zijn bedelronde, zijn nap en mantel weg, waste zijn voeten en zette zich neer op een voor hem bereide zitplaats. Hij kruiste zijn benen, richtte zijn lichaam op en vestigde zijn aandacht op een punt vóór hem op de grond. Toen dan naderden vele monniken de Verhevene en na hem genaderd te zijn groetten zij de voeten van de Verhevene met hun hoofden en na driemaal om de Verhevene gelopen te zijn zetten zij zich neer aan één kant.


2. Op dat moment voegde zich de eerwaarde Subhūti bij deze verzameling en ging zitten. Toen dan rees Subhūti van zijn zitplaats, legde zijn bovenkleed over een schouder, plaatste zijn rechterknie op de grond, maakte met gevouwen handen een buiging in de richting van de Verhevene en sprak het volgende tot de Verhevene:

‘Het is wonderlijk, o Verhevene, het is buitengewoon wonderlijk, o Goed-gegane, hoezeer de Bodhisattva’s, de grote wezens, geholpen zijn met de hoogste hulp door de Tathāgata, de Arhat, de Volledig Ontwaakte. Het is wonderlijk, Verhevene, hoezeer de Bodhisattva’s, de grote wezens, met het grootste geschenk begiftigd zijn. Hoe, Verhevene, moet een zoon of dochter van goede familie, die op weg is in het Bodhisattva-voertuig, in het leven staan, hoe moeten zij voortgaan, hoe moeten zij hun geest onder controle brengen?’

Na deze woorden sprak de Verhevene tot de eerwaarde Subhūti: ‘Heel goed, heel goed, Subhūti. Zo is het, zoals je zegt. Geholpen zijn de Bodhisattva’s, de grote wezens, met de hoogste hulp door de Tathāgata; begiftigd zijn de Bodhisattva’s, de grote wezens, met het grootste geschenk door de Tathāgata. Daarom, Subhūti, luister goed, met grote aandacht: ik zal spreken over hoe iemand, die zich op het Bodhisattva-pad begeven heeft, in het leven moet staan, hoe hij moet voortgaan, hoe hij zijn geest onder controle moet brengen.’
‘Zo zij het, Verhevene’, gaf Subhūti de Verhevene ten antwoord.


3. De Verhevene sprak het volgende: ‘Welnu, Subhūti, iemand die zich op het Bodhisattva-pad begeven heeft, moet aldus een gedachte produceren: hoeveel wezens er ook zijn in het bereik der wezens die vallen onder het begrip “wezen” ─ of ze nu uit een ei geboren zijn of uit een baarmoeder of uit vochtige hitte of op spontane wijze geboren zijn, met vorm of zonder vorm, met bewustzijn of zonder bewustzijn, of ze nu noch bewust noch onbewust zijn ─ voor zover enig bereik van wezens gekend wordt: zij allen moeten door mij tot Nirvana gebracht worden, tot het bereik van het Nirvana zonder rest.

Maar ook al zouden ontelbare wezens zo tot Nirvana gebracht worden, er is geen enkel wezen tot Nirvana gebracht. En waarom? Indien, Subhūti, bij een Bodhisattva het begrip “wezen” zou opkomen, zou hij geen Bodhisattva genoemd mogen worden. En waarom? Hij kan geen Bodhisattva genoemd worden, bij wie het idee van een “zelf” zou opkomen of het idee van een “wezen” of het idee van een “ziel” of het idee van een “persoon”.’

Commentaar


Het eerste hoofdstuk van het sūtra is een getrouwe kopie van bepaalde oudere Pāli-sutta’s. Daarmee werd ongetwijfeld geprobeerd een zekere legitimiteit te geven aan de tekst, die niet op de historische Boeddha is terug te voeren. Er zijn echter ook tegenwoordig nog aanhangers van het mahāyāna die het tegendeel beweren. Anderen houden staande dat de mahāyāna-sūtra’s weliswaar niet direct het woord van de Boeddha weerspiegelen, maar dat ze wel door de Boeddha zijn geïnspireerd.

Dat de schrijvers van deze sūtra’s zich van een probleem bewust waren, blijkt uit het eerste hoofdstuk van de Aṣṭasāhasrikā Prajñāpāramitā (de Perfectie van Inzicht in 8000 verzen) ─ waarschijnlijk de oudste tekst van het mahāyāna, waarvan de kern uit de eerste eeuw vóór Chr. stamt. Daar verzoekt de Boeddha aan Subhūti de aanwezige Bodhisattva’s ‘geïnspireerd’ toe te spreken en hen te onderrichten over de Perfectie van Inzicht. Śāriputra, die zich ook onder het gehoor bevindt, vraagt zich in gedachten af of Subhūti zal spreken op grond van zijn eigen vermogen of onder invloed van (geïnspireerd door) de Boeddha.

Subhūti leest de gedachten van Śāriputra en zegt dat ‘al wat de leerlingen van de Verhevene verkondigen, beschouwd moet worden als het manhaftige werk van de Tathāgata. En waarom? Omdat ze, zich oefenend in de Dharma die door de Tathāgata geleerd is, volgens dat onderricht in de Dharma de ware natuur der dingen (dharmatā) realiseren. Die ware natuur realiserend en bewarend, is wat ze ook leren niet in conflict met de ware natuur der dingen. Dit is puur een uitvloeisel van het Dharma-onderwijs van de Tathāgata.’ Met deze tekst kan het Māhayāna het schrijven van nieuwe sūtra’s rechtvaardigen, omdat ze voortvloeien uit een traditie van meesters die de leer van de Boeddha gerealiseerd hebben.

In hoofdstuk 2 vraagt Subhūti de Boeddha hoe een Bodhisattva ─ dat wil zeggen iemand die als ideaal heeft een leven gewijd aan het bereiken van de Verlichting, niet voor zichzelf maar voor het welzijn van alle levende wezens ─ in het leven moet staan en waarop hij zijn gedachten systematisch en gecontroleerd moet richten. De Boeddha herhaalt de vraag, zoals vaak gebeurt in de oude teksten, en geeft in het derde hoofdstuk een antwoord. Dit antwoord confronteert ons meteen met het centrale thema van dit sūtra: de leer van anātma (niet-zelf).

De Bodhisattva moet zijn gedachten richten op het leiden van alle wezens tot het volkomen Nirvana (Nirvana zonder rest), maar tegelijk moet hij beseffen dat er geen ‘wezen’ tot Nirvana gebracht is, omdat bij de mens en andere levende wezens geen ‘wezen’ (ātman) te onderkennen valt. Dit is de gigantische paradox, waarop we in dit sūtra stuiten en waarvoor in het vervolg geen logische, maar eerder een intuïtieve oplossing gevonden zal worden.


De deugd van het geven
4.
‘En ook, Subhūti, moet een gift niet door een Bodhisattva gegeven worden, terwijl hij er als iets substantieels aan vasthoudt, noch moet hij een gift geven, als hij ook maar op iets steunt, noch op vorm, geluid, geur, smaak, tastbare dingen en gedachte-objecten steunend. Immers zó, Subhūti, moet een Bodhisattva, een groot wezen, giften geven, dat hij niet zijn uitgangspunt neemt in de voorstelling van een idee. En waarom? Wie, Subhūti, zonder ergens op te steunen giften geeft ─ van zijn hoop van verdiensten is niet gemakkelijk de maat te nemen. Wat denk je, Subhūti, is het gemakkelijk de ruimte in de oostelijke hemelstreek op te meten?’
Subhūti sprak: ‘Zeker niet, Verhevene.’

De Verhevene sprak: ‘Evenzo is het gemakkelijk de maat van de ruimte op te meten in het zuiden, het westen, het noorden, in het nadir, in het zenith, in de tussenliggende richtingen, (kortom) in alle tien de richtingen rondom?’
Subhūti sprak: ‘Zeker niet, Verhevene.’

De Verhevene sprak: ‘Evenzo, Subhūti, is het gesteld met die Bodhisattva, die zonder op iets te steunen giften geeft ─ van zijn hoop van verdiensten is niet makkelijk de maat te nemen. Immers zó, Subhūti, moet iemand die in het Bodhisattva-voertuig op weg is giften geven, dat hij niet steunt op de voorstelling van een idee.’


De kenmerken van een Verlichte
5.
‘Wat denk je, Subhūti, kan een Tathāgata herkend worden aan de volkomenheid van zijn kenmerken?’

Subhūti sprak: ‘Zeker niet, Verhevene, kan een Tathāgata herkend worden aan de volkomenheid van zijn kenmerken. En waarom? De volkomenheid van kenmerken die, Verhevene, door de Tathāgata is geleerd ─ dat is de volkomenheid van kenmerkloosheid.’

Na die woorden sprak de Verhevene tot de eerwaarde Subhūti het volgende: ‘Zolang als er volkomenheid van kenmerken is, zolang is er valsheid; zodra er sprake is van kenmerkloze volkomenheid, is er geen valsheid. Daarom kan de Tathāgata gezien worden op grond van het niet-kenmerk zijn van de kenmerken.’


6. Na die woorden sprak de eerwaarde Subhūti tot de Verhevene: ‘Zullen er werkelijk enkele wezens in de toekomst zijn, in de laatste tijd, in de laatste periode, in de laatste vijfhonderd jaar wanneer de tijd van ondergang van de Goede Leer (Saddharma) aangebroken is, die, wanneer juist deze woorden van het sūtra gesproken worden, een juiste voorstelling zullen voortbrengen?’

De Verhevene sprak: ‘Spreek niet zo, Subhūti. Er zullen wezens zijn in de toekomst, in de laatste tijd, in de laatste periode, in de laatste vijfhonderd jaar wanneer de ondergang van de Goede Leer aangebroken is, die, wanneer juist deze woorden van het sūtra gesproken worden, een correcte voorstelling zullen voortbrengen. Maar anderzijds, Subhūti, zullen er in de toekomst, in de laatste tijd, in de laatste periode, in de laatste vijfhonderd jaar wanneer de ondergang van de Goede Leer aangebroken is, Bodhisattva’s, grote wezens, zijn die goede kwaliteiten hebben, die goed gedrag vertonen, die inzicht hebben, die wanneer juist deze woorden van het sūtra gesproken worden een correcte voorstelling voortbrengen.

Bovendien, Subhūti, zullen deze Bodhisattva’s, grote wezens, niet slechts één Boeddha vereerd hebben, niet zullen zij mensen zijn die hun heilzame wortels geplant hebben bij slechts één Boeddha, maar veeleer, Subhūti, zullen het Bodhisattva’s, grote wezens, zijn die ─ na meerdere honderdduizenden Boeddha’s vereerd te hebben, na hun heilzame wortels geplant te hebben bij meerdere honderdduizenden Boeddha’s ─ wanneer juist deze woorden van het sūtra gesproken worden, één enkele gedachte van sereen vertrouwen zullen verkrijgen. Gekend zijn zij, Subhūti, door de Tathāgata, door de kennis van de Boeddha, gezien zijn zij door de Tathāgata, door het Boeddha-oog, opgemerkt zijn zij, Subhūti, door de Tathāgata.

Zij allen, Subhūti, zullen een onmetelijke, ontelbare hoop van verdiensten voortbrengen en verkrijgen. En waarom? Omdat, Subhūti, bij deze Bodhisattva’s, grote wezens, de voorstelling van een zelf niet optreedt, noch de voorstelling van wezens noch de voorstelling van een ziel noch de voorstelling van een persoon. Evenmin treedt bij deze Bodhisattva’s, grote wezens, de voorstelling op van dharma noch de voorstelling van niet-dharma. Noch ook treedt bij hen een voorstelling op noch is er sprake van een niet-voorstelling.

En waarom? Indien, Subhūti, bij deze Bodhisattva’s, grote wezens, de voorstelling van dharma zou optreden, dan zou dit bij hen een aannemen van een zelf betekenen, een aannemen van wezens, een aannemen van een ziel, een aannemen van een persoon. Indien de voorstelling van niet-dharma zou optreden, ook dan zou dit een aannemen van een zelf betekenen, een aannemen van wezens, een aannemen van een ziel, een aannemen van een persoon.

En waarom? Omdat, Subhūti, een Bodhisattva, een groot wezen noch een dharma moet aannemen noch een niet-dharma. Daarom is het volgende woord met een bepaalde bedoeling gesproken door de Verhevene: “Door degenen die de uiteenzetting van de dharma als een vlot begrijpen, moeten zelfs de dharma’s opgegeven worden, hoeveel te meer de niet-dharma’s”.’

Commentaar


In het vierde hoofdstuk wordt voortgegaan met het geven van aanwijzingen voor de manier waarop de Bodhisattva in het leven moet staan. Hier gaat het om de wijze waarop de deugd van het geven beoefend moet worden. De Boeddha zegt dat de Bodhisattva op niets moet steunen. Wat bedoelt hij hiermee? De tekst spreekt over het niet steunen op zichtbare vorm, geluid, geur etc. – kortom, de Bodhisattva moet niet steunen op de objecten van de zintuigen. Dat wil zeggen: hij moet inzien dat de zintuiglijke wereld zonder permanente kern is, zonder onvergankelijke waarde.

De Bodhisattva moet zich niet laten misleiden door de wereld die de zintuigen ons voortoveren. Hij handelt zonder de ‘voorstelling van een idee’: dat wil zeggen zonder de voorstelling van ‘ik’ of ‘ander’ of ‘gift’ te produceren. Hij geeft volledig belangeloos, zelfs zonder hoop hiermee verdienste te verwerven. Dan pas is zijn verdienste onmetelijk ─ even onmetelijk als de windstreken.

In het vijfde hoofdstuk wordt de vraag gesteld of de Boeddha te herkennen valt aan bepaalde kenmerken. We moeten daarbij bedenken dat in oudere teksten wordt vermeld dat een Verlichte te herkennen is aan 37 lichamelijke kenmerken. Dit wordt hier met stelligheid ontkend.

Een Verlichte wordt herkend aan ‘kenmerkloze volkomenheid’. Zolang we van iemand kunnen zeggen dat hij verlicht is, omdat hij bepaalde lichamelijke of psychische kenmerken heeft, zoals haar krullend op een bepaalde manier, doorlopende wenkbrauwen, een prachtig aura of een bijzonder heilige levenswandel, dan is er sprake van bedrog. Een Tathāgata wordt herkend aan de ‘volkomenheid van kenmerkloosheid’. Dat wil zeggen dat zijn volkomenheid niet met woorden te beschrijven is. Iedere beschrijving is vals; een Boeddha is onbeschrijflijk.

Het zesde hoofdstuk is nog moeilijker te begrijpen dan de beide voorgaande. De vraag van Subhūti, waarmee het hoofdstuk begint, lijkt heel zinnig: zullen er in de laatste periode, wanneer de leer van de Boeddha aan het verdwijnen is, nog wezens zijn die een ‘juiste voorstelling zullen voortbrengen’? Het antwoord luidt dat die wezens er inderdaad zullen zijn. Maar wat is ‘een juiste voorstelling’? Het blijkt dat het hier gaat om de voorstelling van een ‘zelf’, een ‘wezen’, een ‘ziel’, een ‘persoon’. Een dergelijke voorstelling produceert een Bodhisattva niet: dat is de juiste voorstelling. Evenmin komt bij hem (of haar) de voorstelling van een dharma op.

Het woord ‘dharma’ kan vele betekenissen hebben. Hier betekent het waarschijnlijk ‘leer’, zoals we kunnen opmaken uit de verwijzing naar de bekende parabel over het vlot. De historische Boeddha heeft immers ooit zijn leer vergeleken met een vlot, waarmee iemand een rivier oversteekt. Na aan de overkant gekomen te zijn, draagt hij het niet verder met zich mee. Evenzo is de leer van de Boeddha niet meer nuttig voor iemand die ‘de andere oever’ (d.w.z. de Verlichting) bereikt heeft.

Onze tekst is nog radicaler en stelt dat de voorstelling van een leer, volgens welke men zou moeten leven, de voorstelling van een ‘zelf’ impliceert, hetgeen tegen de anātman-doctrine indruist. Moeten we dan de dharma afwijzen? Nee, dat ook niet, want ook de voorstelling van ‘niet-dharma’ mag niet opkomen. Dat zou immers eveneens de voorstelling van een ‘zelf’ inhouden: ‘ik wijs de dharma af’. Ja, zelfs een ‘niet-voorstelling’ mag zich niet voordoen.

Nu zijn we aan de grenzen van ons logisch denken gebracht. Valt dit alles nog rationeel te begrijpen? Het antwoord moet ‘nee’ luiden. Het sūtra voert ons tot aan de grenzen van ons begripsvermogen en nodigt ons uit onze ‘gewone’ kijk op de wereld op te geven. Dat wil zeggen dat we ons normale denken in tegenstellingen aan de kant moeten zetten.

Pas wanneer we in staat zijn de tegenstelling tussen ‘voorstelling’ en ‘niet-voorstelling’, tussen ‘dharma’ en ‘niet-dharma’ te overstijgen, gaan onze ogen open voor de echte werkelijkheid. ‘Gekend’ zullen we dan zijn door de Tathāgata. Maar we zullen dan eerst onze ‘heilzame wortels’ (d.w.z. onze verdiensten) geplant moeten hebben bij honderdduizenden Boeddha’s!


7. En verder sprak de Verhevene tot de eerwaarde Subhūti, het volgende: ‘Wat denk je, Subhūti, bestaat er een dharma “Onovertroffen Volkomen Ontwaken” die door de Tathāgata is ontdekt, of is er een dharma door de Tathāgata onderwezen?’

Na deze woorden sprak de eerwaarde Subhūti het volgende tot de Verhevene: ‘Zoals ik, Verhevene, de zin van het gesprokene begrijp, bestaat er geen enkele dharma “Onovertroffen Volkomen Verlichting” die door de Verhevene ontdekt is; er bestaat geen dharma die de Tathāgata onderwezen heeft. En waarom? Deze dharma, die door de Tathāgata ontdekt of onderwezen is, deze is ongrijpbaar, die is onmededeelbaar; het is geen dharma en geen niet-dharma. En waarom? De Edele Personen zijn immers voortgekomen uit het Ongeconditioneerde.’


8. De Verhevene sprak: ‘Wat denk je, Subhūti, de zoon of dochter van goede familie, die na dit wereldsysteem bestaande uit 1000x1000x1000 werelden gevuld te hebben met de zeven juwelen dit ten geschenke zou geven aan de Tathāgata’s, de Arhats en de Volledig Ontwaakten, zou die zoon of dochter van goede familie op grond daarvan een grote massa van verdienste tot stand brengen?’

Subhūti sprak: ‘Groot, Verhevene, groot, Gezegende, is de massa van verdienste die een zoon of dochter van goede familie op basis daarvan tot stand zou brengen. En waarom? Wat, Verhevene, door de Tathāgata als massa van verdienste onderwezen is, als niet-massa is dat door de Tathāgata onderwezen. Daarom zegt de Verhevene: “Een massa van verdienste is een massa van verdienste”.’

De Verhevene sprak: ‘Maar wie, na niet meer dan slechts één vers van vier regels uit dit dharma-onderricht genomen te hebben, dit in detail aan anderen zou onderwijzen en duidelijk zou maken, die zou op grond daarvan een grotere massa van verdienste produceren, onmeetbaar en onberekenbaar. En waarom? Daaruit immers, Subhūti, is de Onovertroffen Volkomen Verlichting van de Tathāgata’s, de Arhats, de Volledig Verlichten voortgekomen, en daaruit zijn de Boeddha’s, de Verhevenen voortgekomen. En waarom? Men zegt, Subhūti, “boeddha-dharma’s zijn boeddha-dharma’s”, maar juist als niet-boeddha-dharma’s zijn ze door de Tathāgata verklaard. Daarom worden zij “boeddha-dharma’s” genoemd.


9a. Wat denk je, Subhūti, komt bij de Stroombetreder de gedachte op: “Door mij is de vrucht van het Stroombetreden verkregen”?’
Subhūti sprak: ‘Zeker niet, Verhevene. De gedachte komt niet op bij de Stroombetreder: “Door mij is de vrucht van het Stroombetreden verkregen”. En waarom? Hij heeft immers niet enig ding verkregen. Daarom wordt hij Stroombetreder genoemd. Geen zichtbare vorm heeft hij verkregen, geen geluiden, geen geuren, geen smaken, geen tastbare dingen en geen denkobjecten. Daarom wordt hij Stroombetreder genoemd. Indien, Verhevene, bij de Stroombetreder de gedachte zou opkomen: “Door mij is de vrucht van het Stroombetreden verkregen”, dan zou dat bij hem juist een vasthouden aan een zelf zijn, een vasthouden aan een levend wezen, een vasthouden aan een ziel, een vasthouden aan een persoon.’


9b. De Verhevene sprak: ‘Wat denk je, Subhūti, komt bij de Eenmaal-terugkeerder de gedachte op: “Door mij is de vrucht van het Eenmaal-terugkeren verkregen”?’
Subhūti sprak: ‘Zeker niet, Verhevene. De gedachte komt niet op bij de Eenmaal-terugkeerder: “Door mij is de vrucht van het Eenmaal-terugkeren verkregen”.’ En waarom? Er is immers geen enkele entiteit die het Eenmaal-terugkeerder-zijn heeft verkregen. Daarom wordt hij Eenmaal-terugkeerder genoemd.’


9c. De Verhevene sprak: ‘Wat denk je, Subhūti, komt bij de Niet-meer-terugkeerder de gedachte op: “Door mij is de vrucht van het Niet-meer-terugkeren verkregen”?’
Subhūti sprak: ‘Zeker niet, Verhevene. De gedachte komt niet op bij de Niet-meer-terugkeerder: “Door mij is de vrucht van het Niet-meer-terugkeren verkregen”. En waarom? Er is immers geen enkele entiteit die het Niet-meer-terugkeerder-zijn heeft verkregen. Daarom wordt hij Niet-meer-terugkeerder genoemd.’


9d. De Verhevene sprak: ‘Wat denk je, Subhūti, komt bij de Arhat de gedachte op: “Door mij is de vrucht van het Arhatschap verkregen”?’
Subhūti sprak: ‘Zeker niet, Verhevene. De gedachte komt niet op bij de Arhat: “Door mij is de vrucht van het Arhatschap verkregen”. En waarom? Er is immers geen enkele entiteit die Arhat heet. Daarom wordt hij Arhat genoemd. Indien, Verhevene, bij de Arhat de gedachte zou opkomen: “Door mij is de vrucht van het Arhatschap verkregen”, dan zou dat bij hem juist een vasthouden aan een zelf zijn, een vasthouden aan een levend wezen, een vasthouden aan een ziel, een vasthouden aan een persoon.


9e. En waarom? Ik ben, Verhevene, door de Tathāgata, de Arhat, de Volledig Verlichte aangewezen als de beste onder degenen die in onthechting verkeren. Ik ben, Verhevene, een Arhat, bij wie de passies zijn verdwenen. Maar niet komt bij mij, Verhevene, de gedachte op: “Ik ben een Arhat, iemand bij wie de passies verdwenen zijn”. Indien bij mij, Verhevene, de volgende gedachte zou opkomen: “Door mij is het Arhatschap bereikt”, dan zou de Tathāgata niet over mij verklaard hebben: “Subhūti, een zoon van goede familie, de beste onder degenen die in onthechting verkeren, verkeert nergens. Daarom wordt hij iemand die in onthechting leeft genoemd, iemand die waarlijk in onthechting leeft”.’

Commentaar


In hoofdstuk 7 worden we geconfronteerd met de moeilijk te omschrijven betekenis van het begrip ‘dharma’. Zowel een element van de boeddhistische leer (bijvoorbeeld ‘nirvāṇa’ of ‘begeerte’) als een element van de werkelijkheid wordt ‘dharma’ genoemd. Met ieder element van de leer correspondeert tevens een element van de werkelijkheid. De Dharma is dus niets anders dan een Leer over de werkelijkheid. Begrippen als ‘Verlichting’, ‘karman’, ‘begeerte’ zijn zowel elementen van de leer als werkelijk bestaande ‘dingen’. Daarom kan men een dharma zowel ontdekken als onderwijzen. Met deze dubbele betekenis van het woord ‘dharma’ wordt gespeeld in hoofdstuk 7.

Ook wordt er gezegd dat er geen dharma door de Tathāgata ontdekt of onderwezen is. Als reden hiervoor wordt het feit gegeven dat in casu de dharma ‘Verlichting’ niet ‘gegrepen’ kan worden ─ dat wil zeggen: als element van de werkelijkheid niet te traceren is en als leerstuk niet mededeelbaar is. Een dharma (in zijn dubbele betekenis) moet immers ‘grijpbaar’ zijn en onderricht kunnen worden. Maar ook kan men van ‘Verlichting’ niet zeggen dat zij geen dharma is.

De Onovertroffen Volkomen Verlichting onttrekt zich aan de wereld der tegenstellingen, aan de categorieën van bestaan en niet-bestaan. De Verlichting komt immers voort uit het Ongeconditioneerde, dat wil zeggen: uit de niet-geboren, niet-geworden, niet-geschapen Grond, die een verlossing uit het geborene, gewordene, geschapene juist mogelijk maakt (cf. Udāna VIII 1, 2, 3). De perfectie van de mens, zoals deze gestalte krijgt bij de Edele Personen die in de tekst genoemd worden, manifesteert zich en is slechts denkbaar op grond van dit Ongeconditioneerde.

Wie zijn deze Edele Personen? Het zijn de reeds uit de Pāli-Canon bekende en in de volgende hoofdstukken van het Diamant-sūtra genoemde Stroombetreder, Eenmaal-terugkeerder, Niet-meer-terugkeerder en de Arhat.

De Stroombetreder is volgens de dogmatiek in de Pāli-geschriften vrij van de eerste drie van de tien ketenen (saṃyojana’s)1 die de mens aan de wereld der wedergeboorten kluisteren. De Eenmaal-terugkeerder wordt nog slechts eenmaal wedergeboren en is vrij van de vierde en de vijfde keten. De Niet-meer-terugkeerder wordt alleen nog in een hemel wedergeboren en is volledig vrij van al deze vijf ketenen. De Arhat ten slotte wordt nergens meer wedergeboren; deze is tevens bevrijd van de vijf laatste ketenen.

In hoofdstuk 8 wordt met typisch Indische beeldspraak gezegd dat het vullen van één miljard wereldsystemen met kostbare juwelen en deze aanbieden aan de Boeddha’s niet zoveel waarde heeft als het reciteren en uitleggen aan anderen van slechts één vers uit dit sūtra! Dit geldt met name de denk- en opvattingswijze, die nu als een vorm van logica aan de orde komt, die typisch is voor het Diamant-sūtra en die men in algemene vorm als volgt kan formuleren: ‘a is niet-a en daarom is het a’ ofwel ‘a is a, omdat het niet-a is’.

In onze tekst lezen we dat een ‘massa van verdienste’ als ‘niet-massa van verdienste’ door de Tathāgata onderwezen is, en daarom geldt: ‘Een massa van verdienste is een massa van verdienste.’ Even verderop zien we dat boeddha-dharma’s boeddha-dharma’s zijn, omdat ze als niet-boeddha-dharma’s door de Tathāgata verklaard zijn.

In hoofdstuk 9 wordt gezegd dat de Stroombetreder niet de vrucht van het Stroombetreden verkrijgt. Daarom wordt hij Stroombetreder genoemd. Deze formulering wordt herhaald voor de andere Edele Personen ─ een herhaling die we hier met opzet niet achterwege hebben gelaten om de lezer een indruk te geven van de indringende wijze waarop gedachten in gereciteerde teksten worden overgebracht.

In hoofdstuk 9e zegt Subhūti dat de Boeddha hem een Arhat noemt. Maar zelf denkt hij niet dat hij het Arhatschap bereikt heeft. Daarom juist wordt hij door de Boeddha als Arhat aangeduid ─ iemand die niet meer te omschrijven valt, bij wie alle passies uitgedoofd zijn, die daarom ‘nergens verkeert’.

Japanse boeddhisten2, onder wie de beroemde zenmeester D.T. Suzuki, hebben de hier geschetste denkwijze omschreven als soku-hi. Zij noemden haar de fundamentele logica van het mahāyāna-boeddhisme, die uit een lange meditatie-ervaring is voortgekomen. Soku betekent hier als abstractum ‘zelfidentiteit’ of ‘is-heid’3 en hi is negatie. Soku-hi kan men dan vertalen als ‘identiteit door negatie’ of als ‘identiteit van het zich tegensprekende’.

Soku-hi is te begrijpen vanuit de leer van de pratityasamutpāda, die wijst op de onderlinge afhankelijkheid van al het bestaande. Niets bestaat uit zichzelf als onafhankelijke entiteit. ‘Worden’ en ‘betrekking’ zijn in onze wereld fundamenteler dan ‘zijn’ en ‘ding’. Alles wat zich aan ons voordoet, is in zichzelf een ‘Niets’ en juist daardoor kunnen we de dingen zien als een ‘zijn-in-relatie’. Het is niet zo dat er eerst twee dingen ontstaan, die vervolgens een relatie met elkaar aangaan; integendeel, de relatie is primair en daaruit ontstaan de dingen. Door deze dynamische relatie wordt de substantialiteit der dingen doorbroken.

De leer van de ‘leegte’ (śunyatā) biedt een tweede invalshoek tot begrip van soku-hi. Juist op grond van het feit dat de wereld ‘leeg’ is van substanties en daardoor ‘Niets’ genoemd kan worden, kunnen de dingen ontstaan. In hoofdstuk 9b lezen we: ‘geen zichtbare vorm heeft hij bereikt, geen geluiden, geen geuren (...)’. Deze passage toont een treffende overeenkomst met het bekende Hart-sūtra, waarin we lezen: ‘vorm is gelijk aan leegte; leegte is gelijk aan vorm’4 . Al deze omschrijvingen willen slechts uitdrukken dat de dingen in laatste instantie uit de leegte ontstaan, waarbij we ervoor moeten oppassen uit de leegte geen ding te maken. Immers ook de leegte is leeg van substantialiteit.

Na deze excursie in de filosofie van het mahāyāna kunnen we begrijpen wat er bedoeld wordt met ‘de dharma is geen dharma’, ‘de massa van verdienste is geen massa van verdienste’ etc. Kortom: ‘a is niet-a’, omdat alle dingen onderling afhankelijk en leeg zijn. Maar omdat elk ding leeg is, kan het juist in relatie met andere dingen ontstaan: ‘Daarom is het a.’ Ieder ding (boom, mens, berg, vogel) is en is tegelijk niet, is niet en is tegelijk wel. In dit dubbele perspectief ziet het mahāyāna de waarheid van het Zijn tegelijk als een Niets.

Dat dit niet alleen een denkspelletje is, maar van wezenlijke betekenis is voor ons leven, blijkt uit een later hoofdstuk van dit sūtra, waarin gesteld wordt: ‘alle vormen als niet-vorm te zien, betekent de Boeddha te zien’. Daarmee wordt ons niet minder dan een verlossingsweg getoond!


10a. De Verhevene sprak: ‘Wat denk je, Subhūti, is er enige dharma (leer) die de Tathāgata ontvangen heeft van de volledig verlichte Arhat, de Tathāgata Dīpaṅkara?’
Subhūti sprak: ‘Zeker niet, Verhevene, er is geen enkele dharma die de Tathāgata ontvangen heeft van de volledig verlichte Arhat, de Tathāgata Dīpaṅkara.’


10b. De Verhevene sprak: ‘Een Bodhisattva die aldus zou spreken: “Ik zal harmonische Boeddha-werelden scheppen”, hij zou onwaarheid spreken. En waarom? Harmonische Boeddha-werelden zijn harmonische Boeddha-werelden. Als niet-harmonisch zijn zij door de Tathāgata gepredikt. Daarom worden zij harmonische Boeddha-werelden genoemd.


10c. Daarom, Subhūti, moet door de Bodhisattva, het grote wezen, een gedachte die op niets gebaseerd is voortgebracht worden; er moet een gedachte voortgebracht worden die nergens op steunt, die niet op vorm, geluid, geur, smaak, het tastbare of een voorstelling steunt. Dit is te vergelijken, Subhūti, met een man die begiftigd is met een groot lichaam, bijvoorbeeld een lichaam dat zo groot is als de koning der bergen, Sumeru. Denk je, Subhūti, dat hij als lichaam groot zou zijn?’

Subhūti sprak: ‘Groot, Verhevene, groot, Gezegende, zou hij als lichaam zijn. En waarom? Een lichaam is een lichaam. Als niet-zijn is het door de Tathāgata verkondigd. Daarom wordt het lichaam genoemd. Immers, Verhevene, het is noch een zijn noch een niet-zijn. Daarom wordt het lichaam genoemd.’


11. De Verhevene sprak: ‘Wat denk je, Subhūti, als er zoveel Ganges-rivieren zouden zijn als er zandkorrels zijn in de grote Ganges-rivier, zouden daarin dan veel zandkorrels zijn?’
Subhūti sprak: ‘In de eerste plaats, er zouden veel Ganges-rivieren zijn, om maar te zwijgen van het aantal zandkorrels in die Ganges-rivieren.’

De Verhevene sprak: ‘Luister goed, Subhūti, naar wat ik je nu zeg. Indien een of andere vrouw of man zoveel wereldsystemen als er zandkorrels in die Ganges-rivieren zijn zou vullen met de zeven juwelen en deze ten geschenke zou geven aan de Tathāgata’s, de Arhats, de Volledig Verlichten ─ wat denk je, Subhūti, zou die vrouw of man op grond daarvan een grote massa verdienste verwerven?’
Subhūti sprak: ‘Ja, Verhevene, ja, Gezegende, die vrouw of man zou op grond daarvan een grote massa verdienste verwerven, een onmeetbare, een onschatbare.’

De Verhevene sprak: ‘En als, Subhūti, een vrouw of man die, na zovele wereldsystemen met de zeven juwelen geheel gevuld te hebben, deze aan de Tathāgata’s, de Arhats, de Volledig Verlichten ten geschenke zou geven en als deze zoon of dochter van goede familie ook maar zoveel als één vers van vier regels uit deze dharma-preek genomen zou hebben en aan anderen onderwezen en uitgelegd zou hebben, dan zou deze op grond van dit laatste een grotere massa van verdienste verwerven, een onmeetbare, een onschatbare.


12. En verder, Subhūti, de plaats op aarde waar slechts een enkel vers van vier regels uit deze dharma-preek genomen en gereciteerd of uitgelegd zou worden – die plaats op aarde zou als het ware een schrijn zijn voor de wereld met zijn goden, mensen en asura’s. Wat dan te zeggen van diegenen die deze dharma-preek in zijn geheel in zich zullen opnemen, zullen reciteren, zullen bestuderen en in détail aan anderen zullen uiteenzetten ─ zij zullen, Subhūti, begiftigd worden met iets uiterst wonderbaarlijks. En op die plaats op aarde verblijft de Leraar of een of andere plaatsvervanger van de wijze Leraar.’


13a. Aldus toegesproken sprak de eerwaarde Subhūti tot de Verhevene het volgende: ‘Hoe heet, Verhevene, deze dharma-preek en hoe zal ik haar in mijn herinnering dragen?’ Na deze woorden sprak de Verhevene tot de eerbiedwaardige Subhūti het volgende: ‘Deze dharma-preek heet “Perfectie van Inzicht” (Prajñāpāramitā), Subhūti, en als zodanig moet je haar in je herinnering dragen. En waarom? Die Perfectie van Inzicht, die door de Tathāgata gepredikt is, die is als niet-Perfectie van Inzicht door de Tathāgata gepredikt. Daarom wordt zij Perfectie van Inzicht genoemd.’

Commentaar


In hoofdstuk 10 wordt een thema opgenomen dat al in hoofdstuk 7 behandeld is. Hier gaat het om de vraag of de Tathāgata (in casu Gautama, de Boeddha van onze tijd) van Dīpaṅkara (een Boeddha die miljarden (!) jaren geleden geleefd zou hebben) de Dharma ontvangen heeft. In deze passage wordt verwezen naar de legende omtrent de Boeddha. ‘Boeddha’ is eigenlijk een soortnaam, zoals het woord ‘koning’ in onze wetsteksten, waarmee zelfs een koningin aangeduid kan worden. Volgens de mahāyāna-teksten is het aantal Boeddha’s even ontelbaar als het aantal zandkorrels in de Ganges.

De oudste Pali-teksten zijn wat ‘zuiniger’ en noemen slechts zes Boeddha’s vóór Gautama; latere Pali-werken breiden de lijst aan het begin uit met nog eenentwintig Boeddha’s. Andere tellingen komen tot een totaal van vierentwintig Boeddha’s. Er zijn dus vele versies van de mythe, die ons in wezen op niets anders attent wil maken dan op het universele karakter van Verlichting.

Mijn leermeester Lama Govinda zag de kwaliteit van Verlichting latent aanwezig in iedere vorm van bewustzijn. Deze zal tot rijping komen, volgens een universele wetmatigheid, wanneer de condities gunstig zijn. Het leven van een Boeddha moet dus gezien worden in een geheel ander perspectief dan de historicus gewend is. Een enkele Boeddha is slechts een fractie van een veel meer omvattende ontwikkeling, waarin het menselijke element het vehikel is voor de herontdekking van het universele karakter van de geest of het bewustzijn, dat volgens de Prajñāpāramitā-sūtra’s ‘onvoorstelbaar is in zijn ware natuur’ (Maha Bodhi Journal, mei/juni 1954).

In onze tijd zullen slechts vijf Boeddha’s leven, van wie Gautama de vierde is en Maitreya de laatste zal zijn. Dīpaṅkara leefde in een eon5 dat een Sāramaṇḍa-kappa wordt genoemd. In zo’n eon (Pali: kappa, Skt.: kalpa) leven vier Boeddha’s, van wie hij de laatste was. Onder zijn gehoor bevond zich de asceet Sumedha. Deze nam het voornemen op zich later een Boeddha te worden en verscheen ten slotte als Gautama.

Maar Sumedha heeft geen Dharma ontvangen van Dīpaṅkara, zegt onze tekst. De reden hiervoor wordt niet uiteengezet, maar men kan vermoeden dat bedoeld wordt: een formuleerbare dharma is niet de dharma; dharma is dharma, omdat hij niet-dharma is. De dharma is uiteindelijk leeg van substantie, evenals alle andere dingen.

In 10b wordt met ‘Boeddha-wereld’ een zogenoemd Rein Land bedoeld. Het meest bekende is Sukhāvati van Boeddha Amitābha (Jap. Amida), dat in de Jodo Shin Shu (een belangrijke boeddhistische sekte in Japan) een grote rol speelt als equivalent van Nirvana. Zo’n Boeddha-wereld toont veel gelijkenis met een paradijs. Het is een harmonisch, evenwichtig gestructureerde wereld, die scherp afsteekt tegen de chaotische, bezoedelde wereld, waarin wij leven. Ook zo’n Boeddha-wereld heeft geen harmonie (geen gouden borden om van te eten, geen hemelse muziek, ja zelfs geen bestaan, geen essentie) en is daarom als niet-harmonisch door de Boeddha voorgesteld. Daarom juist is zij harmonisch!

In 10c wordt gesteld dat de mens om verlost te worden de identificaties met de zintuigen en met al wat via de zintuigen (inclusief ons denken) tot ons komt, dient op te geven. Dat wordt bedoeld met de ‘gedachte die nergens op steunt’. Zelfs van iemand met een lichaam zo groot als de berg Sumeru wordt door de Boeddha gezegd dat hij een ‘niet-zijn’ heeft. Alles wat ons als solide en massief voorkomt, heeft in laatste instantie geen substantialiteit.

Met hoofdstuk 11 wordt het slot ingeluid van de tekst die waarschijnlijk het oorspronkelijke sūtra vormde. Op typisch Indisch uitbundige wijze wordt de verdienste geschilderd van degene die zelfs maar één vers van deze tekst aan anderen uitlegt. De plaats waar zulks geschiedt, wordt tot een schrijn. Daar waar de hele tekst wordt gememoriseerd, bestudeerd en verklaard ─ daar is zelfs de Boeddha of een plaatsvervanger aanwezig.

Uit de naamgeving van het sūtra blijkt ten slotte duidelijk dat het gaat om een tekst die tot het geheel van de Perfectie van Inzicht-literatuur gerekend moet worden. Ook hierbij wordt nog even de kans gegrepen om te zeggen dat de preek als niet-Perfectie van Inzicht verkondigd is en juist daarom ... maar dat begrijpt u als lezer ondertussen wel!


13b. ‘Wat denk je, Subhūti, is er enige dharma, die door de Tathāgata onderwezen is?’
Subhūti sprak: ‘Zeker niet, Verhevene. Er is in werkelijkheid geen enkele dharma die door de Tathāgata onderwezen is.’


13c. De Verhevene sprak: ‘Wat denk je, Subhūti, al het aardstof dat er in de miljarden wereldstelsels aanwezig is, is dat een grote massa?’ Subhūti sprak: ‘Ja, Verhevene, ja, Gezegende, veel aardstof moet dat zijn. En waarom? Dat wat als aardstof door de Tathāgata onderwezen is, als niet-aardstof, Verhevene, is het door de Tathāgata onderwezen. Daarom wordt het ‘aardstof’ genoemd. Ook dat wereldsysteem dat door de Tathāgata onderwezen is, dat is als een niet-wereldsysteem door de Tathāgata onderwezen. Daarom wordt het “wereldsysteem” genoemd.’


13d. De Verhevene sprak: ‘Wat denk je, Subhūti, kan de Tathāgata, de Arhat, de Volledig Ontwaakte gezien worden met behulp van de 32 kentekenen van een Groot Mens?’ Subhūti sprak: ‘Zeker niet, Verhevene, kan de Tathāgata, de Arhat, de Volledig Ontwaakte gezien worden met behulp van de 32 kentekenen van een Groot Mens. En waarom? Die 32 kenmerken van een Groot Mens, die door de Tathāgata onderwezen zijn, die zijn in feite als niet-kenmerken door de Tathāgata onderwezen. Daarom worden zij de 32 kenmerken van een Groot Mens genoemd.’


13e. De Verhevene sprak: ‘En verder, Subhūti, stel er is een vrouw of man die haar of zijn levens, even talrijk als er zandkorrels in de rivier de Ganges zijn, zou opofferen en die levens zou opofferen gedurende vele tijdperken (kalpa’s); en stel er is anderzijds iemand die uit deze dharma-preek slechts één vers van vier regels zou nemen en aan anderen zou onderwijzen en duidelijk maken ─ die laatstgenoemde zou op grond daarvan een veel grotere massa van verdienste verwerven, onmetelijk, onberekenbaar.’


14a. Toen dan liet de eerbiedwaardige Subhūti, gegrepen door de Dharma, zijn tranen de vrije loop en na zijn tranen afgewist te hebben, sprak hij als volgt tot de Verhevene: ‘Het is wonderlijk, Verhevene, het is hoogst wonderlijk, Gezegende, hoe deze dharma-preek door de Tathāgata uitgesproken is, voor het welzijn van de wezens die in het beste voertuig op weg zijn, voor het welzijn van degenen die in het meest voortreffelijke voertuig op weg zijn.

Daardoor, Verhevene, heb ik kennis verkregen. Nooit heb ik, Verhevene, een dergelijke dharma-preek in het verleden gehoord. Gezegend door een heel groot wonder zullen die Bodhisattva’s zijn, die ─ wanneer dit sūtra gepredikt wordt ─ werkelijk begrip zullen tonen. En waarom? Wat werkelijk begrip is, dat is niet-werkelijk begrip. Daarom onderwijst de Tathāgata: “Werkelijk begrip is werkelijk begrip.”


14b. Het is, Verhevene, voor mij niet moeilijk om te vertrouwen in en toegewijd te zijn aan deze dharma-preek, die nu uitgesproken wordt. Die wezens, die in de toekomst, in de laatste tijd, in de laatste periode, in de laatste vijfhonderd jaar tijdens de vernietiging van de Goede Leer (Saddharma) deze uiteenzetting zullen opnemen, zullen onthouden, zullen reciteren, zullen bestuderen en in detail aan anderen zullen duidelijk maken ─ zij zullen gezegend zijn met het hoogste wonder.


14c. Maar, Verhevene, bij hen zal geen voorstelling van een wezen, van een ziel, van een persoon optreden; noch ook treedt bij hen enige voorstelling noch een niet-voorstelling op. En waarom? Die voorstelling, Verhevene, van een zelf is juist een niet-voorstelling; die voorstelling van een wezen, van een ziel en van een persoon is juist hetzelfde als een niet-voorstelling. En waarom? De Boeddha’s, de Verhevenen hebben alle voorstellingen achter zich gelaten.’


14d. Na die woorden sprak de Verhevene tot de eerwaarde Subhūti het volgende: ‘Zo is het, Subhūti, zo is het. Die wezens zullen wonderbaarlijk gezegend zijn, die ─ wanneer dit sūtra uitgesproken wordt ─ niet zullen beven, niet bang zullen worden, niet in paniek zullen raken. En waarom? Dit is als hoogste perfectie, Subhūti, door de Tathāgata gepredikt, namelijk als niet-perfectie. En, Subhūti, de hoogste perfectie, die de Tathāgata predikt – die prediken talloze Boeddha’s, Verhevenen. Daarom wordt zij de allerhoogste perfectie genoemd.


14e. En verder, Subhūti, is de perfectie van geduld van de Voleindigde juist een non-perfectie. En waarom? Toen, Subhūti, koning Kali mij stukken vlees van mijn ledematen sneed, op dat moment kwam er bij mij geen voorstelling van een zelf op of van een wezen of van een ziel of van een persoon, noch ook enige voorstelling of niet-voorstelling. En waarom? Indien bij mij, Subhūti, op dat moment een voorstelling van een zelf zou zijn opgekomen, zou er bij mij op dat moment ook een voorstelling van haat opgekomen zijn. Indien er een voorstelling van een wezen of een ziel of een persoon zou zijn, dan zou er bij die gelegenheid ook een voorstelling van haat opgekomen zijn.

En waarom? Ik weet nog, Subhūti, dat ik vijfhonderd geboorten geleden de wijze Geduldprediker was. Ook toen was er bij mij geen voorstelling van een zelf noch van een wezen noch van een ziel noch van een persoon. Daarom dus, Subhūti, moet een Bodhisattva, een groot wezen, na alle voorstellingen opgegeven te hebben, een gedachte gericht op de Onovertroffen Volkomen Verlichting doen ontstaan. Hij moet niet een op zichtbare vorm steunende gedachte doen ontstaan noch een op geluiden, geuren, smaken, tastervaringen en dharma’s steunende gedachte doen ontstaan noch een op niet-dharma’s steunende gedachte doen ontstaan noch een op wat dan ook steunende gedachte doen ontstaan. En waarom? Wat steunt op iets, dat heeft juist geen steun. Daarom nu leert de Tathāgata: een Bodhisattva moet een gift geven zonder op iets te steunen. Hij moet niet geven, terwijl hij steunt op vormen, geluiden, geuren, smaken, tastervaringen en gedachten.’

Commentaar


De dialoog tussen de Boeddha en Subhūti wordt voortgezet, maar vervalt in herhalingen. In 13b wordt herhaald wat reeds in 7 en 10 naar voren gebracht was, namelijk dat door de Boeddha geen enkele dharma (leer) onderwezen is. De dharma is immers (in zijn onmetelijkheid) niet mededeelbaar, niet te omschrijven. Men vergelijke hiermee de uitspraak in de Tao Te King, die stelt dat het Tao dat te omschrijven is, niet het werkelijke Tao is.

In 13d wordt herhaald wat reeds in 5 aan de orde is gesteld: de Verhevene kan niet worden beschreven door middel van de 32 kenmerken van een Groot Mens, zoals lange oorlellen, even lange vingers, naar rechts draaiende krulletjes in het haar, platvoeten etc.

In 13e wordt evenals in 11 de waarde van het Diamant-sūtra zelf tot in ongekende hoogte opgevoerd. Eén vers van vier regels uit dit sūtra reciteren en aan anderen uitleggen, is meer waard dan het offer van het eigen leven in myriaden existenties in myriaden van tijdperken (kalpa’s). Een typisch Indische hyperbool, zoals deze ook in andere mahāyāna-sūtra’s herhaaldelijk voorkomt en op westerlingen vaak een bizarre indruk maakt. Maar ook in het Westen kennen wij dergelijke symbolische uitdrukkingen, zoals: Christus nam het lijden van de hele mensheid op zich.

Subhūti is tot tranen toe geroerd door de preek van de Boeddha en zegt dat hij erdoor tot begrip is gekomen. Maar onmiddellijk voegt hij eraan toe (in de stijl van het sūtra), dat dit een niet-begrip is, omdat het niet te beschrijven is. Daarom is het juist een werkelijk begrip.

In 14b wordt aan degenen die dit sūtra in de eindtijd, vóór de verdwijning van de Dharma, zullen onderwijzen, het ‘hoogste wonder’ beloofd. Het is niet duidelijk wat hiermee bedoeld wordt. Waarschijnlijk betekent het eenvoudig dat zij gezegend zullen zijn.

Subhūti eindigt zijn woorden met de meest essentiële leerstelling van alle vormen van boeddhisme, namelijk de ‘anātman-leer’, die stelt dat er geen blijvende, onveranderlijke, onafhankelijke kern (ātman) in de mens bestaat. Maar ook deze ‘leer’ is slechts een voorstelling en als zodanig een niet-voorstelling, omdat de werkelijkheid er niet volledig door valt uit te drukken. De Boeddha’s kennen zo’n ‘leer’ niet; die hebben haar achter zich gelaten. Vergelijk hiermee de beroemde uitspraak van Nāgārjuna in zijn Mūla-madhyamaka-kārikā’s (XVIII, 6): ‘Door de Boeddha’s is noch een zelf (ātman) noch een niet-zelf (anātman) onderwezen.’

In 14d noemt de Boeddha al die wezens die van deze leer niet in paniek raken, gezegend. De formuleringen in dit sūtra waren waarschijnlijk nogal shockerend in de tijd waarin het geschreven werd. Ook in andere mahāyāna-sūtra’s komt een dergelijke waarschuwing voor. De Boeddha verklaart tevens dat deze tekst tot de Prajñāpāramitā-sūtra’s gerekend moet worden.

In het laatste hoofdstuk geeft de Boeddha een praktische toepassing van de ‘anātman-leer’. Hij vertelt dat er toen hij in een vorige existentie door koning Kali (zie Jātaka 313) in mootjes gesneden werd, geen moment de gedachte aan een ‘zelf’ bij hem opkwam. Dan zou hij immers haat gevoeld hebben en dat gebeurde niet. Boeddha houdt de Bodhisattva’s daarom voor als laatste steun aan niets anders te denken dan aan de Onovertroffen Volkomen Verlichting. De Bodhisattva moet zich niet door zintuiglijke indrukken hiervan laten afhouden. Immers, de steun van de wereld der zinnen is slechts schijn. Wanneer men in dit besef een gift geeft, dan geeft men op de juiste wijze, zoals reeds in hoofdstuk 4 aangeduid is.

De lezer is reeds bij de inleiding tot de vertaling van dit sūtra gewaarschuwd voor de onsamenhangende aard van deze tekst. Toch hoop ik dat u langzaam de draad te pakken krijgt, hoewel dit een niet-draad is ─ immers niet uit te leggen!


14f. ‘En verder, Subhūti, een Bodhisattva moet op een dergelijke manier een opgeven van (de vrucht van) het geven beoefenen ten behoeve van alle wezens. En waarom? Deze voorstelling van wezens, die is juist een niet-voorstelling. Alle wezens die aldus door de Tathāgata zijn genoemd, dat zijn juist niet-wezens. En waarom? De Tathāgata brengt de werkelijkheid tot uitdrukking, is een spreker van de waarheid, spreekt over de dingen zoals ze werkelijk zijn en niet anders. Hij spreekt geen onwaarheid.


14g. En verder, Subhūti, de Dharma die door de Tathāgata gerealiseerd is, die door hem onderwezen is, die door hem begrepen is, daarin is noch waarheid noch valsheid.
Juist zoals, Subhūti, een man die de duisternis is binnengegaan, niets kan zien, zó moet de Bodhisattva beschouwd worden die aan objecten vervallen is, die ─ aan objecten vervallen ─ (de vrucht van) zijn geven opgeeft. Juist zoals, Subhūti, een man met ogen, wanneer de nacht licht wordt en de zon is opgekomen, vormen van verschillende aard ziet, zó moet een Bodhisattva beschouwd worden die ─ niet vervallen aan objecten ─ (de vrucht van) het geven opgeeft.


14h. En verder, Subhūti, die zonen of dochters van goede familie, die deze dharma-preek opnemen, onthouden, reciteren, bestuderen en aan anderen in detail uitleggen ─ zij worden, Subhūti, gekend door de Tathāgata middels zijn Boeddha-kennis, zij worden gezien, Subhūti, door zijn Boeddha-oog, zij staan in de aandacht van de Tathāgata. Al die wezens, Subhūti, zullen een onmetelijke, onberekenbare massa van verdienste produceren en verkrijgen.


15a. En bovendien, Subhūti, als enerzijds een man of vrouw, die niet alleen in de vroege ochtend daden van opofferingsgezindheid, zovele als er zandkorrels in de rivier de Ganges zijn, zou verrichten – die ook in de middag daden van opofferingsgezindheid, zovele als er zandkorrels in de rivier de Ganges zijn, zou verrichten; als iemand in de avond daden van opofferingsgezindheid, zovele als er zandkorrels in de rivier de Ganges zijn, zou verrichten; als iemand door deze prediking gedurende vele honderdduizenden maal miljoenen maal miljarden eonen daden van opofferingsgezindheid zou verrichten.

Maar als anderzijds iemand na deze dharma-preek gehoord te hebben haar niet zou verwerpen, dan zou laatstgenoemde op grond daarvan een grotere massa van verdienste produceren (dan eerstgenoemde), een onmetelijke, een onberekenbare. Wat dan te zeggen over degene die na haar overgeschreven te hebben haar in zich zou opnemen, in zijn geheugen zou bewaren, haar zou reciteren, haar zou bestuderen, haar zou toelichten en aan anderen in detail zou uitleggen?


15b. Bovendien, Subhūti, ondenkbaar en onvergelijkelijk is deze dharma-preek. En deze dharma-preek is onderwezen door de Tathāgata ten behoeve van de wezens die op weg zijn gegaan in het beste voertuig, ten behoeve van de wezens die op weg zijn gegaan in het voortreffelijkste voertuig. Zij die deze dharma-preek in zich zullen opnemen, in hun geheugen zullen bewaren, haar zullen reciteren, haar zullen bestuderen, haar in detail aan anderen zullen uitleggen ─ gekend zijn zij, Subhūti, door de Tathāgata middels zijn Boeddha-kennis, gezien zijn zij, Subhūti, door het Boeddha-oog, begrepen zijn zij door de Tathāgata. Al deze wezens zullen begiftigd zijn met een onmetelijke massa van verdienste, begiftigd zullen zij zijn met een ondenkbare, onvergelijkelijke, mateloze, onmetelijke massa van verdienste.

Al deze wezens, Subhūti, zullen gelijkelijk de Verlichting met zich dragen. En waarom? Omdat deze dharma-preek niet gehoord kan worden door wezens met geringe aspiratie, noch door mensen die de visie van een zelf, een wezen, een ziel of een persoon huldigen. Noch kan deze dharma-preek gehoord worden door wezens die de Bodhisattva-gelofte niet hebben afgelegd, noch kan zij door hen in zich opgenomen, in het geheugen bewaard, gereciteerd of bestudeerd worden. Die mogelijkheid bestaat niet.


15c. En verder, Subhūti, de plaats op aarde waar dit sūtra uitgelegd zal worden, die plaats op aarde zal vererenswaardig zijn voor de wereld met zijn goden, mensen en asura’s, die plaats op aarde zal het waard zijn eerbiedig gegroet en omwandeld te worden, als een schrijn zal die plaats op aarde zijn.


16a. En toch, Subhūti, die zonen en dochters van goede familie, die dit sūtra in zich zullen opnemen, in het geheugen zullen bewaren, zullen reciteren, zullen bestuderen, er grondig aandacht aan zullen schenken en het aan anderen in detail zullen uitleggen, zij zullen vernederd, zeer vernederd worden. En waarom? De onzuivere daden van deze wezens, die begaan zijn tijdens vroegere geboorten en die leiden tot een hel ─ in dit leven nog zullen zij die onzuivere daden, begaan tijdens een vorig leven, tenietdoen en zij zullen de Verlichting van een Boeddha bereiken.


16b. En waarom? Ik weet nog heel goed, Subhūti, dat er in het verleden gedurende ontelbare, uiterst ontelbare eonen 84.000 miljoen miljard Boeddha’s waren, levend lang vóór Dīpaṅkara, de Tathāgata, de Arhat, de volledig Verlichte, die door mij gediend zijn, die ’t waard waren gediend te worden en die zich niet van mij afgekeerd hebben.

En wanneer, Subhūti, enerzijds die Boeddha’s, die Verhevenen door mij gediend zijn,'’t waard waren gediend te worden en zich niet van mij afgekeerd hebben, en wanneer anderzijds sommige mensen in de laatste tijd, in de laatste periode, in de laatste vijfhonderd jaar, ten tijde van de ondergang van de Goede Leer dit sūtra in zich zullen opnemen, in het geheugen zullen bewaren, het zullen reciteren, het zullen bestuderen en aan anderen in detail zullen uitleggen ─ dan benadert, Subhūti, in vergelijking met laatstgenoemde massa van verdienste de eerstgenoemde massa van verdienste nog niet een honderdste deel, nog niet een duizendste deel, nog niet een honderdduizendste deel, nog niet een tienmiljoenste deel, nog niet een honderdmiljoenste deel, nog niet een honderdduizendmiljoenste deel (van laatstgenoemde massa). (Deze massa van verdienste) staat noch getal noch deel noch tellen noch gelijkenis noch vergelijking noch analogie toe.


16c. Verder, Subhūti, als ik de massa van verdienste van deze zonen of dochters van goede familie uiteen zou moeten zetten, in hoeverre die zonen of dochters van goede familie op dat moment een massa van verdienste zullen voortbrengen en zullen verkrijgen, dan zouden de wezens krankzinnig worden (van het lange wachten) of in geestesverwarring raken. Maar bovendien, Subhūti, is deze dharma-preek door de Tathāgata als ondenkbaar verkondigd. Een ondenkbaar resultaat kan ervan verwacht worden.’

Commentaar


In 14f wordt doorgeborduurd op het voorafgaande. Een ‘dergelijke manier’ verwijst naar het opgeven van de vrucht van het geven (d.w.z. de verdienste) in het besef van de onwezenlijkheid van de wereld. De Bodhisattva moet zich immers bij zijn daden noch laten leiden door zintuiglijke indrukken noch door het aannemen van een reëel bestaan van wezens. De wezens zijn niet-wezens en daarom zijn ze wezens. Als de Tathāgata met zintuiglijke gegevens of ‘wezens’ zou werken, dan zou hij een verkeerd beeld van de werkelijkheid hebben en dat is onmogelijk, omdat hij de dingen ziet zoals ze werkelijk zijn. Hij spreekt geen onwaarheid.

Onmiddellijk na deze vaststelling wordt in 14g deze bewering weer gerelativeerd: in de Dharma is noch waarheid noch valsheid te vinden. Van de waarheid die de Boeddha gevonden heeft, kun je niet zeggen dat deze werkelijk (waar) is, ook niet dat deze onwerkelijk (onwaar) is. Ieder van deze uitspraken zou onmiddellijk het tegendeel oproepen en dat is met uitspraken van de Boeddha onmogelijk, omdat ze zich onttrekken aan de wereld van dualiteit. De Dharma van de Boeddha, waarin zijn kennis vervat is, is vormloos, beeldloos, transcendent en vrij van alle dualisme.

Moeilijk te vatten is, wat met ‘aan objecten vervallen’ bedoeld is. De gebruikte Sanskriet-woorden vastu-patito zou men ook kunnen vertalen met ‘tussen dingen gevallen’, zoals Conze doet, die daarmee de indruk wekt dat de Bodhisattva in het donker over de dingen struikelt! Dat lijkt mij niet de bedoeling. De Chinese vertaler van de tekst heeft in zijn Sanskriet-versie gelezen: ‘gehecht aan formele begrippen’. Dat lijkt al beter. Naar mijn mening echter gaat het hier in voortzetting van het vorige om een Bodhisattva die in het reëel bestaan van de dingen gelooft.

De term ‘vervallen’ komt ook in de westerse filosofie voor en wel bij Heidegger, die hiermee een oneigenlijke manier van bestaan bedoelt, waarbij men vlucht voor zichzelf: ‘verfallen am Man’. Het subject van het alledaagse mens-zijn is, volgens Heidegger, het men, niet het ik, het ik zelf. Wij genieten en verblijden ons, zoals men dat doet; wij lezen, zien en oordelen, zoals men ziet, leest en oordeelt; wij vinden schokkend wat men schokkend vindt (Sein und Zeit, p. 126-127). De oneigenlijke mens gaat op in de dingen waar men in opgaat, en is ten slotte niet meer in staat zichzelf anders te interpreteren dan als een ding te midden van de dingen (Sein und Zeit, p. 130).

Deze opvatting zou weleens de werkelijke bedoeling van de bovengenoemde Sanskriet-term kunnen benaderen: een volledig opgaan in de zintuiglijke wereld (der objecten) zonder reflectie op zichzelf, de eigen ware natuur, die in de boeddhistische visie een ‘leegte’ is of beter: leeg is van substantie. Pas wanneer men niet meer in de substantialiteit van de wereld (mensen en dingen) gelooft, kan men verdiensten (als gevolg van geven) opgeven.

De rest van de tekst is gewijd aan een lofprijzing van de tekst zelf. Voor ons westerlingen een moeilijk te begrijpen procedure. Iemand die dit sūtra (aangeduid als ‘prediking’, ‘dharma-preek’) gehoord heeft en het niet verwerpt, verwerft meer verdienste dan iemand die gedurende vele eonen daden van opofferingsgezindheid verricht. Wat zal dan niet de verdienste zijn van iemand die dit sūtra reciteert, bestudeert en het aan anderen uitlegt? Zij zullen ‘gekend zijn door de Tathāgata’ en een onmetelijke massa van verdienste verwerven.

De reden hiervoor ─ zegt de tekst ─ is dat dit sūtra niet begrepen kan worden door mensen die geloven in het bestaan van een ‘zelf’ of ‘ziel’. Ook niet door mensen die de Bodhisattva-gelofte niet hebben afgelegd.

De plaats op aarde waar dit sūtra verkondigd wordt, is heilig en verdient het om als een tempel behandeld te worden. Degenen echter die dit sūtra zullen reciteren en uitleggen, zullen in de wereld slecht behandeld worden en daarmee vroeger karma kunnen verdelgen. Maar hun wordt nog in dit leven de Verlichting beloofd.

Zelfs de Boeddha heeft tijdens het dienen van miljarden Tathāgata’s in het verleden nog niet een fractie van de verdienste verworven die mensen verwerven die in de eindtijd dit sūtra in zich opnemen en bestuderen. De massa van verdienste van laatstgenoemden is zo groot dat wanneer de Boeddha deze zou beschrijven, de wezens veel te lang zouden moeten wachten tot de Boeddha zich weer om hen kon bekommeren. Ze zouden ‘gek’ worden van het wachten.

Hoe vreemd deze tekst ons ook in het begin moge voorkomen, bij geduldig lezen en herlezen leren we de schoonheid en diepzinnigheid ervan te onderscheiden. De ‘grote getallen’ kunnen we daarbij over het hoofd zien óf beschouwen als een typisch Indische expressie voor het onmetelijke, het ‘ondenkbare’, waarvoor dit sūtra ons de ogen wil openen.

17a. Toen dan sprak de eerwaarde Subhūti het volgende tot de Verhevene: ‘Hoe, Verhevene, moet iemand, die plaatsgenomen heeft in het Bodhisattva-voertuig, zich opstellen, hoe voortgaan, hoe zijn denken ontwikkelen?’ De Verhevene sprak: ‘In dit geval, Subhūti, moet iemand, die zich in het Bodhisattva-voertuig begeven heeft, deze gedachte voortbrengen: “Alle wezens moeten door mij tot het bereik van het Nirvana waarin niets overblijft gevoerd worden. En toch, na alle wezens tot Nirvana gebracht te hebben, is er geen enkel wezen tot Nirvana gebracht”.

En waarom? Indien bij een Bodhisattva het begrip “wezen” zou opkomen, dan kan hij geen “Bodhisattva” genoemd worden. Of wanneer het begrip “ziel” of het begrip “persoon” zou opkomen, dan kan hij geen “Bodhisattva” genoemd worden. En waarom? Er is, Subhūti, geen enkele entiteit (dharma) die plaatsgenomen heeft in het Bodhisattva-voertuig.


17b. Wat denk je, Subhūti, is er enige entiteit die als Tathāgata [in de nabijheid van de Tathāgata Dīpaṅkara] de Onovertroffen Volkomen Verlichting bereikt heeft?’ Na deze woorden sprak de eerwaarde Subhūti het volgende tot de Verhevene: ‘Naar ik de betekenis van de woorden van de Verhevene begrijp, is er geen enkele entiteit die als Tathāgata [in de nabijheid van de Tathāgata Dīpaṅkara] de Onovertroffen Volkomen Verlichting heeft bereikt.’

Na deze woorden sprak de Verhevene het volgende tot de eerwaarde Subhūti: ‘Zo is het, Subhūti, zo is het. Er is geen enkele entiteit die als Tathāgata [in de nabijheid van de Tathāgata Dīpaṅkara, de Arhat, de volledig Verlichte] de volledige Verlichting heeft bereikt. Indien er echter, Subhūti, enige entiteit als Tathāgata tot de volledige Verlichting zou zijn gebracht, dan zou de Tathāgata Dīpaṅkara niet over mij voorspeld hebben: “Jij, jonge Brahmaan, zult in de toekomst onder de naam Śākyamuni een Tathāgata, een Arhat, een volledig Verlichte zijn.”

Omdat er dan, Subhūti, geen enkele entiteit bestaat, die als Tathāgata, Arhat, volledig Verlichte de Onovertroffen Volledige Verlichting heeft bereikt, daarom is er door de Tathāgata Dīpaṅkara voorspeld: “Jij, jonge Brahmaan, zult in de toekomst onder de naam Śākyamuni een Tathāgata, een Arhat, een volledig Verlichte zijn.”


17c. En waarom? “Tathāgata” is een ander woord voor Ware Werkelijkheid.


17d. Wie ook maar aldus zou spreken: “De Tathāgata, de volledig Verlichte heeft de volledige Verlichting bereikt”, hij zou valselijk spreken; hij zou, Subhūti, niet overeenkomstig de waarheid spreken over mij. En waarom? Er is geen enkele entiteit, die als Tathāgata de volledige Verlichting heeft bereikt. En de dharma, die als Tathāgata de volledige Verlichting heeft bereikt of (door de Tathāgata) onderwezen is, daarin is noch waarheid noch leugen. Daarom leert de Tathāgata: “Alle dharma’s zijn Boeddha-dharma’s.” En waarom? Alle dharma’s zijn als niet-dharma’s door de Tathāgata onderwezen. Daarom worden alle dharma’s “Boeddha-dharma’s” genoemd.


17e. Net zoals, Subhūti, wanneer er een man zou zijn begiftigd met een lichaam, met een groot lichaam.’ De eerwaarde Subhūti sprak: ‘Die man, over wie door de Tathāgata gesproken is als begiftigd met een lichaam, met een groot lichaam ─ als geen lichaam hebbend is door de Tathāgata over hem gesproken. Daarom wordt hij genoemd “begiftigd met een lichaam, met een groot lichaam”.’


17f.De Verhevene sprak: ‘De Bodhisattva die aldus zou spreken: “Ik zal wezens tot het Nirvana leiden”, hij kan geen Bodhisattva genoemd worden. En waarom? Is er, Subhūti, enige entiteit (dharma) genaamd Bodhisattva?’

Subhūti sprak: ‘Werkelijk niet, Verhevene; er is geen enkele entiteit genaamd Bodhisattva.’
De Verhevene sprak: ‘Wezens zijn wezens, Subhūti, omdat ze door de Verhevene als niet-wezens verklaard zijn. Daarom worden ze wezens genoemd. Daarom leert de Verhevene: “Alle entiteiten zijn zonder zelf; alle entiteiten zijn zonder wezen, zonder ziel, zonder persoon.”


17g. De Bodhisattva, Subhūti, die aldus zou spreken: “Ik zal Boeddha-velden scheppen”, hij mag niet zó (d.w.z. Bodhisattva) genoemd worden. En waarom? Boeddha-velden zijn Boeddha-velden, Subhūti; als niet-Boeddha-velden worden ze door de Tathāgata verklaard. Daarom worden ze ‘Boeddha-velden’ genoemd.


17h. De Bodhisattva, Subhūti, die zich vol ijver toelegt op de gedachte: “De entiteiten zijn zonder zelf, de entiteiten zijn zonder zelf”, hij wordt door de Tathāgata, de Arhat, de Volledig Ontwaakte een Bodhisattva, een groot wezen genoemd.’

Commentaar


In dit hoofdstuk staat heel duidelijk de ‘niet-zelf’-leer centraal. Zoals reeds eerder opgemerkt, is deze ‘leer’ het hoofdthema van het hele sūtra. Eén van de vier Bodhisattva-geloften ─ namelijk de gelofte om alle wezens te verlossen ─ wordt op de korrel genomen en in het licht van ‘niet-zelf’ geanalyseerd: er zijn helemaal geen ‘wezens’ die tot het Nirvana gebracht kunnen worden. Tot zijn ontsteltenis leert de Bodhisattva ─ een term waarmee iedereen die binnen het mahāyāna de Bodhisattva-gelofte heeft afgelegd, wordt aangeduid ─ dat er niemand tot het Nirvana te brengen valt en dat hij zélf niet eens in het Bodhisattva-voertuig (mahāyāna) heeft plaatsgenomen!

In 17b wordt deze visie zelfs toegepast op de Boeddha, over wie gezegd wordt dat hij nooit de Verlichting bereikt heeft. Er is immers bij consequente toepassing van de ‘niet-zelf’-leer geen enkel ‘wezen’ dat verlost kan worden of anderen tot verlossing kan brengen. Datzelfde geldt voor de begrippen ‘ziel’ en ‘persoon’. Maar juist omdat er geen ‘zelf’, ‘ziel’ of welke andere term voor ‘substantie’ ook aan te treffen valt in de menselijke persoonlijkheid, daarom is verlossing mogelijk. Verlossing bestaat uit de diepe realisatie van deze ‘zelfloosheid’ van de wezens en van alle entiteiten (dharma’s) in het algemeen.

De Tathāgata Dīpaṅkara, met wie we reeds in hoofdstuk 10a kennismaakten, is de vierde van de zevenentwintig Boeddha’s die aan Śākyamuni voorafgingen. Met de ‘jonge Brahmaan’ wordt de reeds eerder in het commentaar genoemde Sumedha bedoeld, die de gelofte op zich nam om in een later tijdperk een Boeddha te worden. Deze man werd geboren in onze tijd in de clan der Śākya’s als Gautama, bijgenaamd de Wijze der Śākya’s (Śākyamuni).

De tekst tussen [ ] is zo goed als zeker een latere toevoeging. Volgens de mythe immers heeft Sumedha niet ‘in de nabijheid van Dīpaṅkara’ de Verlichting bereikt, maar pas vele kalpa’s (tijdperken) later, zoals ook duidelijk in de profetie in 17b gesteld wordt, waar de naam van Dīpaṅkara terecht vermeld wordt. Het is vaak zo in Indische geschriften dat een latere passage of naam door een ijverige, maar niet al te snuggere kopiist naar voren wordt gehaald ‘ter verduidelijking’, waardoor de betekenis juist geheel verdraaid wordt.

17c is waarschijnlijk ook een invoeging uit later tijd; misschien een glosse die in de tekst is opgenomen. De tekst slaat in dit verband op niets.

In 17d wordt het woord ‘dharma’ in twee betekenissen gebruikt, zoals we in vorige hoofdstukken reeds gezien hebben. Het betekent hier zowel ‘entiteit, ding’ als ‘leer’. De Dharma is immers de leer over bestaande entiteiten, zoals mens, begeerte, bewustzijn, mededogen, verlossing, Edele Waarheid etc.

De ‘mens met het grote lichaam’ zijn we eveneens reeds eerder tegengekomen. Over hem wordt door de Tathāgata geleerd dat hij géén lichaam heeft. Daarom juist kan hij volgens de beproefde methode van de ‘diamantsnijder’ aangeduid worden als begiftigd met een groot lichaam. Ook voor de leringen van de Boeddha geldt dat ze ‘geen leringen’ zijn en daarom zijn ze juist van universele waarde en kunnen ze Boeddha-dharma’s genoemd worden.

Met ‘Boeddha-velden’ worden de paradijzen aangeduid, zoals dat van Amitābha, dat het meest bekend is bij de Shin-boeddhisten.

In 17f bereikt de tekst zijn hoogtepunt met de stelling dat alle wezens pas wezens genoemd kunnen worden omdat ze niet-wezens zijn, dat wil zeggen dat ze net als alle andere dharma’s (elementen van de werkelijkheid) geen permanente substantie bevatten. Degene die dit goed beseft, wordt door de Boeddha een ‘groot wezen’ genoemd, dat wil zeggen een ware Bodhisattva, die alle wezens tot verlossing kan leiden.

Door deze tekst kunnen wij misschien de voor velen raadselachtige inhoud van de Bodhisattva-geloften, die in het mahāyāna worden afgelegd, in een nieuw licht bezien.


18a. De Verhevene sprak: ‘Wat denk je, Subhūti, bestaat het fysieke oog van de Tathāgata?’
Subhūti sprak: ‘Jazeker, Verhevene, het fysieke oog van de Tathāgata bestaat.’
De Verhevene sprak: ‘Wat denk je, Subhūti, bestaat het goddelijke oog van de Tathāgata?’
Subhūti sprak: ‘Jazeker, Verhevene, het goddelijke oog van de Tathāgata bestaat.’
De Verhevene sprak: ‘Wat denk je, Subhūti, bestaat het wijsheidsoog van de Tathāgata?’
Subhūti sprak: ‘Jazeker, Verhevene, het wijsheidsoog van de Tathāgata bestaat.’
De Verhevene sprak: ‘Wat denk je, Subhūti, bestaat het dharma-oog van de Tathāgata?’
Subhūti sprak: ‘Jazeker, Verhevene, het dharma-oog van de Tathāgata bestaat.’
De Verhevene sprak: ‘Wat denk je, Subhūti, bestaat het Boeddha-oog van de Tathāgata?’
Subhūti sprak: ‘Jazeker, Verhevene, het Boeddha-oog van de Tathāgata bestaat.’


18b. De Verhevene sprak: ‘Wat denk je, Subhūti, zovele zandkorrels als er zijn in de grote rivier de Ganges, is er door de Tathāgata gesproken over deze zandkorrels?’
Subhūti sprak: ‘Jazeker, Verhevene, jazeker, Gezegende, over die zandkorrels is door de Tathāgata gesproken.’
De Verhevene sprak: ‘Wat denk je, Subhūti, als er zovele Ganges-rivieren zouden zijn als er zandkorrels zijn in de grote rivier de Ganges en als er zovele wereldsystemen zouden zijn als er zandkorrels daarin zijn, zouden dat dan vele wereldsystemen zijn?’
Subhūti sprak: ‘Jazeker, Verhevene, jazeker, Gezegende, dat zouden vele wereldsystemen zijn.’

De Verhevene sprak: ‘Zovele wezens, Subhūti, als er zijn in die wereldsystemen, ik ken van hen de diverse gedachtestromen. En waarom? Gedachtestromen zijn gedachtestromen, Subhūti, als niet-gedachtestromen zijn ze door de Tathāgata onderricht. Daarom worden ze “gedachtestromen” genoemd. En waarom? Een vroegere gedachte bestaat niet, een toekomstige gedachte bestaat niet, een huidige gedachte bestaat niet.


19. Wat denk je, Subhūti, de zoon of dochter van goede familie, die dit wereldsysteem van één biljoen werelden met de zeven juwelen gevuld heeft en ten geschenke zou geven aan de Tathāgata’s, de Arhats, de Volledig Ontwaakten – zou die zoon of dochter van goede familie op grond daarvan een grote massa van verdienste verkrijgen?’ Subhūti sprak: ‘Heel groot, Verhevene, heel groot, Gezegende.’

De Verhevene sprak: ‘Zo is het, Subhūti, zo is het. Op grond daarvan zou een zoon of dochter van goede familie een grote massa verdienste verwerven. En waarom? Een massa van verdienste is een massa van verdienste, Subhūti, als niet-massa van verdienste is zij door de Tathāgata onderwezen. Daarom wordt zij “massa van verdienste” genoemd. Indien, Subhūti, er een massa van verdienste zou bestaan, dan zou de Verhevene niet onderwezen hebben “Een massa van verdienste is een massa van verdienste”.


20a. Wat denk je, Subhūti, kan de Tathāgata gezien worden door de perfectie van fysieke vorm?’
Subhūti sprak: ‘Nee inderdaad, Verhevene, de Tathāgata kan niet gezien worden door de perfectie van fysieke vorm. En waarom? Perfectie van vorm is perfectie van vorm, Verhevene. Als niet-perfectie van vorm is zij door de Tathāgata onderwezen. Daarom wordt zij “perfectie van vorm” genoemd.’


20b. De Verhevene sprak: ‘Wat denk je, Subhūti, kan de Verhevene gezien worden door het volle bezit van kenmerken?’
Subhūti sprak: ‘Nee inderdaad, Verhevene, de Tathāgata kan niet gezien worden door het volle bezit van kenmerken. En waarom? Dit volle bezit van kenmerken, Verhevene, dat door de Tathāgata onderwezen is, als niet-volle bezit is het door de Tathāgata onderwezen. Daarom wordt het “volle bezit van kenmerken” genoemd.’


21a. De Verhevene sprak: ‘Wat denk je, Subhūti, komt bij de Tathāgata de gedachte op:
“Door mij is de Dharma onderwezen”?’ Subhūti sprak: ‘Zeker niet, Verhevene; bij de Tathāgata komt niet de gedachte op: “Door mij is de Dharma onderwezen”.’
De Verhevene sprak: ‘Wie, Subhūti, zo zou spreken: “Door de Tathāgata is de Dharma onderwezen”, hij zou valselijk spreken, hij zou mij vals beschuldigen, Subhūti, door te grijpen naar wat niet is. En waarom? Onderwijzen van Dharma is onderwijzen van Dharma, Subhūti, (maar) er is geen enkele dharma (entiteit), die als onderwijzen van Dharma wordt waargenomen.’


21b. Na die woorden sprak de eerwaarde Subhūti het volgende tot de Verhevene: ‘Zullen er werkelijk, Verhevene, enige wezens in de toekomst zijn, in de laatste tijd, in de laatste periode, in de laatste vijfhonderd jaar, tijdens de vernietiging van de Goede Leer (Saddharma), die – na dergelijke leerstellingen gehoord te hebben ─ werkelijk zullen geloven?’
De Verhevene sprak: ‘Zij zijn, Subhūti, noch wezens noch niet-wezens. En waarom? Wezens zijn wezens, Subhūti, zij zijn allen als niet-wezens door de Tathāgata verklaard. Daarom worden zij “wezens” genoemd.


22. Wat denk je, Subhūti, bestaat er nu werkelijk enige entiteit (dharma), die door de Tathāgata gerealiseerd is als Onovertroffen Volkomen Verlichting?’
De eerwaarde Subhūti sprak: ‘Zeker niet, Verhevene, er is geen enkele entiteit (dharma), die door de Tathāgata gerealiseerd is als Onovertroffen Volkomen Verlichting.’
De Verhevene sprak: ‘Zo is het, Subhūti, zo is het. Zelfs niet de kleinste entiteit (dharma) bestaat daarin, wordt daarin waargenomen. Daarom wordt zij “Onovertroffen Volkomen Verlichting” genoemd.


23. Verder, Subhūti, is die entiteit (dharma) altijd dezelfde; daarin is geen enkel verschil. Daarom wordt zij “Onovertroffen Volkomen Verlichting” genoemd. Door zonder zelf te zijn, door zonder ziel te zijn, door zonder persoon te zijn, wordt de Onovertroffen Volkomen Verlichting als altijd dezelfde door alle heilzame psychische factoren (dharma’s) gerealiseerd. En waarom? Heilzame psychische factoren zijn heilzame psychische factoren, Subhūti, maar als niet-psychische factoren zijn ze door de Tathāgata onderwezen. Daarom worden ze heilzame psychische factoren genoemd.’

Commentaar


De inhoud van 18a staat in een onduidelijk verband met de rest van de tekst. Hier worden de diverse ‘ogen’ van de Boeddha opgenoemd.

In 18b zijn we weer terug bij het eigenlijke thema van het sūtra. Eerst wordt het bestaan van een astronomisch groot aantal wereldsystemen geschilderd. Vervolgens wordt gesteld dat de Boeddha de ‘gedachtestromen’ (citta-dhāra) van alle wezens in die werelden kent. Misschien worden deze ‘gezien’ met het Boeddha-oog uit het voorgaande hoofdstukje.

Nadat er een gigantische massa aan wezens en gedachtestromen is opgeroepen, implodeert dit beeld plotseling door de vaststelling dat deze gedachtestromen, dat wil zeggen psychische inhouden, eigenlijk niet-gedachtestromen zijn. Er wordt zelfs gesteld dat er geen vroegere, toekomstige of huidige gedachte bestaat. Zo leeg van gedachten is dit uitgestrekte universum met al zijn wezens.

In 19 wordt voortgeborduurd op het beeld van het enorme wereldsysteem, waarin wij leven. Iemand die dit zou vullen met juwelen en deze zou aanbieden aan de Boeddha’s moet toch wel een zeer grote hoeveelheid verdienste verwerven, maar ook hier wordt het bijna oneindig grote plotseling gereduceerd tot het absolute nulpunt door de stelling dat deze massa van verdienste in wezen een niet-massa van verdienste is. Daarom kan zij pas een massa van verdienste genoemd worden. Iets kan alleen een (relatief) bestaan hebben op basis van het ontbreken van een permanente kern, van een onafhankelijke substantie.

De volgende hoofdstukken passen deze visie toe op de Boeddha zelf. De Boeddha (Tathāgata) kan niet waargenomen worden op grond van zijn volmaakte fysieke vorm of het bezit van alle zevenendertig traditionele (mythologische) kenmerken van een Boeddha (bv. lange oorlellen, even lange vingers). Dit zijn in wezen non-entiteiten. De Boeddha heeft zelfs geen Dharma gepredikt, omdat er geen enkele entiteit (dharma) bestaat die ‘onderwijzen van Dharma’ genoemd kan worden. Subhūti vraagt zich af of er nog wel wezens in de laatste tijd (vóór het verloren gaan van de Dharma) zullen zijn die dergelijke gedurfde uitspraken zullen geloven.

De Boeddha lost dit probleem op door simpelweg te stellen dat er in werkelijkheid helemaal geen wezens bestaan. Wellicht geheel vertwijfeld vraagt Subhūti nu of dan tenminste de Verlichting bestaat. Onverbiddelijk krijgt hij van de Boeddha te horen dat ook de Verlichting zelfs als de kleinst mogelijke entiteit niet bestaat.

Maar in hoofdstuk 23 wordt dit sombere, nihilistische perspectief weer geheel veranderd in zijn mystieke tegendeel door de verkondiging van de universaliteit van de Verlichting. Er zijn geen wezens die verlicht zijn en andere wezens die niet verlicht zijn. De entiteit (dharma) Verlichting is ‘gelijk’ (voor alle wezens), overal en altijd dezelfde. Dit is alleen mogelijk op grond van het leeg zijn van substantie, leeg zijn van een permanente kern (ziel, persoon) in het geval van alle entiteiten: mens, Boeddha, Verlichting, psychische factoren of wat dan ook. Maar toch kunnen wij alleen de Verlichting bereiken door heilzame psychische factoren (dharma’s) te realiseren, zoals het vernietigen van begeerte. Daarbij moeten we ons ervoor hoeden te vervallen in een geloof aan het ‘bestaan’ van die factoren.

De paradox die ons hier tegemoet treedt, schijnt te luiden: ‘Leef deugdzaaam om de Verlichting te bereiken, maar meen niet dat deugdzaamheid in zich bestaat of ergens toe leidt’. Lijkt dit niet op de bekende koan: ‘Als niets wat dan ook helpt, wat doe je dan’? Wie het weet, mag het zeggen!


24. ‘En verder, Subhūti, een vrouw of man, die ─ na een massa van de zeven juwelen bijeengebracht te hebben even groot als de berg Sumeru, de koning der bergen, in het systeem der één biljoen werelden ─ deze ten geschenke zou geven aan de Tathāgata’s, de Arhats, de Volledig Ontwaakten, en de zoon of dochter van goede familie, die van deze Perfectie van Inzicht, deze dharma-preek, zo veel als ook maar één vers van vier voeten opneemt en aan anderen zou leren ─ van die (daarmee verworven) massa van verdienste, Subhūti, benadert de eerstgenoemde massa van verdienste nog niet één honderdste deel etc. [hier volgt een herhaling van16b].


25. Wat denk je, Subhūti, komt bij de Tathāgata’s de volgende gedachte op: “Door mij zijn wezens verlost”? Niet zo toch, Subhūti, moet men dit zien. En waarom? Er bestaat in werkelijkheid geen enkel wezen dat door de Tathāgata verlost is. Als er echter enig wezen zou zijn dat door de Tathāgata verlost was, dan zou dat betekenen dat de Tathāgata de opvatting van het bestaan van een zelf, een ziel, een persoon koesterde. Het opvatten van een zelf ─ als een niet-opvatten van een zelf is het door de Tathāgata onderwezen. Toch wordt deze opvatting gehuldigd door dwaze, gewone mensen. Dwaze, gewone mensen, Subhūti, juist als niet-mensen zijn ze door de Tathāgata onderwezen. Daarom worden ze dwaze, gewone mensen genoemd.


26a. Wat denk je, Subhūti, kan de Tathāgata herkend worden aan een perfectie van kenmerken?’
Subhūti sprak: ‘Zeker niet, Verhevene, voor zover ik de betekenis van het onderricht van de Verhevene begrijp, kan de Tathāgata niet door een perfectie van kenmerken herkend worden.’
De Verhevene sprak: ‘Goed zo, goed zo, Subhūti, zo is het, zoals je zegt: niet kan er een perfectie van kenmerken bij de Tathāgata herkend worden. En waarom? Indien de Tathāgata iemand zou zijn die aan een perfectie van kenmerken herkend zou kunnen worden, dan zou ook de Wereldheerser een Tathāgata zijn. Daarom kan de Tathāgata niet herkend worden aan een perfectie van kenmerken.’
De eerwaarde Subhūti sprak het volgende tot de Verhevene: ‘Voor zover ik de betekenis van het onderricht van de Verhevene begrijp, kan de Tathāgata niet herkend worden aan een perfectie van kenmerken.’

Toen sprak de Verhevene bij die gelegenheid de volgende verzen:
‘Zij die mij door mijn lichamelijke vorm zagen;
zij die mij door mijn stem volgden ─
gericht op een verkeerd idee
zullen die mensen mij niet zien.


26b.
Vanuit de Dharma moeten de Boeddha’s gezien worden,
de Dharma-lichamen immers zijn de gidsen
en de ware natuur kan niet waargenomen worden
noch kan men die waarnemen.’


27. ‘Wat denk je, Subhūti, is de Onovertroffen Volledige Verlichting door de Tathāgata volledig gekend door de voleinding van kenmerken? Zo moet je dat niet zien, Subhūti. En waarom? Immers niet door de voleinding van kenmerken, Subhūti, zou de Onovertroffen Volledige Verlichting door de Tathāgata volledig gekend kunnen zijn.

En verder zou, Subhūti, niemand aldus tot jou moeten spreken: “Door degenen die zich in het Bodhisattva-voertuig op weg hebben begeven, is de vernietiging of de teloorgang van een dharma verkondigd.” Zo moet je dat niet zien, Subhūti. En waarom? Niet is er door degenen die zich in het Bodhisattva-voertuig op weg hebben begeven, de vernietiging of de teloorgang van welke dharma dan ook verkondigd.


28. En verder, Subhūti, als er een zoon of dochter van goede familie is, die wereldsystemen ─ evenveel als er zandkorrels in de rivier de Ganges zijn ─ volledig vult met de zeven juwelen en deze ten geschenke geeft aan de Tathāgata’s, de Arhats, de Volledig Ontwaakten, en als er anderzijds een Bodhisattva is die innerlijk tot rust komt te midden van de dharma’s, die zonder zelf zijn, die zonder ontstaan zijn ─ deze laatstgenoemde zou op basis daarvan een zeer grote massa van verdienste produceren, onmetelijk en ontelbaar. En bovendien, Subhūti, moet een Bodhisattva, een groot wezen, geen massa van verdienste verzamelen.’
De eerwaarde Subhūti sprak: ‘De Bodhisattva moet toch een grote massa van verdienste verzamelen?’
De Verhevene sprak: ‘Hij mag deze verzamelen, Subhūti, maar hij mag er zich niet mee identificeren. Daarom wordt er gezegd: hij moet verzamelen.


29. En verder, Subhūti, wie ook maar aldus zou spreken: “De Tathāgata gaat of komt, hij staat of hij zit of hij ligt” ─ niet begrijpt hij, Subhūti, de betekenis van het door mij gesprokene. En waarom? “Tathāgata”, Subhūti, wordt iemand genoemd die nergens naar toe is gegaan en die van nergens gekomen is. Daarom wordt hij “Tathāgata” genoemd, Arhat, Volledig Ontwaakte.


30a. En verder, Subhūti, de zoon of dochter van goede familie, die zoveel wereldsystemen als er aardstofjes zijn in dit systeem van één biljoen werelden zou verpulveren door gebruik te maken van zo’n onmetelijke kracht, dat er zo iets als een hoop (losse) atomen ontstaat ─ wat denk je, Subhūti, zou dat een grote hoop atomen zijn?’
Subhūti sprak: ‘Zo is het, Verhevene, zo is het, Gezegende. Groot zou die hoop atomen zijn. En waarom? Indien, Verhevene, er een grote hoop zou ontstaan, dan zou de Verhevene het niet een hoop atomen noemen. En waarom? Wat onderwezen is, Verhevene, door de Tathāgata als deze hoop atomen, als een niet-hoop is het door de Tathāgata onderwezen. Daarom wordt het een hoop atomen genoemd.


30b. En wat door de Tathāgata onderwezen is als het wereldsysteem van één biljoen werelden, als een niet-systeem is het door de Tathāgata onderwezen. Daarom wordt het een wereldsysteem van één biljoen werelden genoemd. En waarom? Indien, Verhevene, er een wereldsysteem zou bestaan, dan zou dat het opvatten als een materieel object zijn en wat als het opvatten als een materieel object door de Tathāgata onderwezen is, als een niet-opvatten is het door de Tathāgata onderwezen. Daarom wordt het “opvatten als een materieel object” genoemd.’
De Verhevene sprak: ‘En juist dat opvatten als een materieel object, Subhūti, daarover kan men niet spreken, dat kan niet in woorden uitgedrukt worden. Dat is noch een dharma noch een niet-dharma. En toch wordt het door de dwaze gewone mensen zo opgevat.’

Commentaar


In de hoofdstukken 24, 28 en 30 komt het ons langzamerhand vertrouwde thema terug van de vergelijking tussen de hoeveelheid verdienste die iemand door middel van een bepaalde daad verwerft, en de verdienste ten gevolge van het vullen van miljarden wereldsystemen met juwelen en deze aanbieden aan de Boeddha’s. Deze vergelijking maakt enerzijds een weinig spirituele, eerder materialistische indruk: hoe kun je nu de verdienste van het reciteren van een sūtra (in hoofdstuk 24) vergelijken met de waarde van juwelen?

Anderzijds is de schaal waarop hier gedacht wordt zó duizelingwekkend dat er bij de daarvoor gevoelige lezer wellicht een zekere ‘bewustzijnsverruiming’ ontstaat. Dit laatste lijkt mij de bedoeling van dergelijke passages. De huidige westerse mens is hier echter minder ontvankelijk voor en zal vermoedelijk bij lezing laconiek opmerken dat deze beelden toch wel wat overdreven zijn. Dergelijke beschrijvingen komen overigens ook vaak voor in andere mahāyāna-sūtra’s.

De berg Sumeru is in de Indische mythologie de ‘wereldberg’. Wat de Olympus was voor de Grieken en de boom Yggdrasil voor de Germanen, is de Sumeru voor de Indiërs. Zo’n berg of boom vertegenwoordigt de ‘axis mundi’, de centrale as van de wereld, die in de mythen van vele Indo-Germaanse volkeren voorkomt. Bij sommige vormen van boeddhistische meditatie vereenzelvigt de meditator zich met deze berg, waardoor hij zich gaat ervaren als het centrum van de wereld.

In hoofdstuk 25 wordt gesteld dat er geen enkel wezen door de Boeddha ‘verlost’, dat wil zeggen tot Verlichting gebracht is. Dit lijkt op het eerste gezicht een zeer onorthodoxe opvatting. Hier wordt echter de leer, dat alle dingen zonder een zelf (anātman) zijn, tot in uiterste consequentie doorgevoerd. Immers, als de Boeddha door zijn leer ‘wezens’ zou verlossen, dat wil zeggen hun het pad der Verlichting zou wijzen, dan zou dit impliceren dat er individuele ‘zelven’ of zielen bestaan. Het bestaan van dergelijke entiteiten wordt hier radicaal afgewezen. Alleen dwaze, gewone mensen huldigen een dergelijke opvatting.

In 26a is er sprake van de ‘32 kenmerken van een Groot Man’. Volgens een mythe die we reeds in de Pāli-Canon6 aantreffen, zouden een Boeddha en een Wereldheerser deze kenmerken vertonen (zie ook de hoofdstukken 20a en 20b). Zo’n Groot Man zou bijvoorbeeld lange vingers en tenen hebben, geen holte tussen de schouders, doorlopende wenkbrauwen, de stem van een leeuw, geen ruimten tussen de tanden, platvoeten (!) etc.

Hier wordt echter gesteld dat een Boeddha niet door dergelijke kenmerken, die tekenen van perfectie zouden zijn, gekarakteriseerd wordt. Immers, een Wereldheerser is óók in het bezit van dergelijke kenmerken! Hier wordt dus de oude mythe veranderd en de Boeddha bóven de Wereldheerser gesteld. De Boeddha zegt zelfs in het vers van 26a dat degenen die hem meenden te herkennen aan zijn bijzondere lichamelijke vorm en aan zijn opmerkelijke stem ‘verkeerd bezig waren’.

In het tweede vers (in 26b) zegt hij dat een Boeddha alleen herkend kan worden aan de Dharma die hij brengt en aan de ‘Dharma-lichamen’, dat wil zeggen: de verzamelingen van Leringen (Dharma’s). Hij voegt eraan toe dat de ware natuur der dingen (dharmatā) niet uit kennis omtrent de dharma’s (entiteiten) is af te leiden.

In hoofdstuk 27 wordt nog eens nadrukkelijk gewezen op het ontbreken van enig verband tussen de ‘Onovertroffen Volledige Verlichting’ en de kenmerken van volmaakte lichamelijkheid. Al ben je nog zo mooi, daarom ben je nog niet verlicht!

Dan zegt de Boeddha tamelijk raadselachtig dat er geen enkele dharma verloren gaat. Betekent dharma hier ‘leer’ of ‘ding’? Richt hij zich hier tegen een bepaalde filosofische school?

In hoofdstuk 28 wordt een traditioneel boeddhistische visie aangevallen. De Bodhisattva ─ dat wil zeggen eenieder die de Bodhisattva-gelofte heeft afgelegd ─ moet geen verdienste verzamelen. Geschokt zegt Subhūti dat er toch juist geleerd wordt dat men verdienste moet verzamelen (voor een goede wedergeboorte, bedoelt hij misschien). De Boeddha neemt nu enigszins zijn eigen woorden terug en zegt dat men wel verdiensten verzamelen mag, maar men mag niet denken: ‘Ik heb verdienste verworven’ of ‘Ik verzamel die verdiensten voor mijzelf (en niet voor anderen)’.

In hoofdstuk 29 wordt gespeeld met de betekenis van het woord ‘Tathāgata’, dat zowel ‘Zogegane’ als ‘Zogekomene’ kan betekenen. Hier wordt in de ons vertrouwde paradoxale stijl van dit sūtra gesteld dat een Tathāgata iemand is die van nergens gekomen is en nergens heen gaat. Daarom juist wordt hij een ‘Zogegane’ of ‘Zogekomene’ genoemd.

In hoofdstuk 30 wordt weer met behulp van een gigantisch aantal wereldsystemen (= kosmische stelsels) onderwezen dat alle opgestapelde atomen van deze werelden een ‘niet-hoop’ vormen, dat wil zeggen dat hun substantie ‘leeg’ is of beter: dat ze leeg van substantie zijn. Daarom kan men juist van materie spreken. Dit is het fysische argument.

In 30b wordt daar nog als psychologisch argument aan toegevoegd dat als het wereldsysteem werkelijk als materieel object onafhankelijk van ons zou bestaan, dat een ‘grijpen’, een ‘begrip’ van ons zou zijn. En dit ‘begrip’ is als een ‘niet-begrip‘ door de Boeddha uitgelegd. Dus ook vanuit psychologisch gezichtspunt is de wereld ‘leeg (van begrip)’ te noemen.

De laatste alinea van hoofdstuk 30 voert ons tot een mystieke visie op de wereld. Hier wordt uiteengezet dat men over de ware aard der dingen niet kan spreken. Al het bestaande is noch een ding noch een niet-ding. Toch denken wij dwazen in termen van een ‘ik’ tegenover een ‘wereld’.


31a. ‘En waarom? Wie ook maar, Subhūti, aldus zou spreken: “Een theorie over een zelf is door de Tathāgata onderwezen, een theorie over een wezen, een theorie over een ziel, een theorie over een persoon is door de Tathāgata onderwezen” ─ zou die, Subhūti, de waarheid spreken?’
Subhūti sprak: ‘Zeker niet, Verhevene, zeker niet, Gezegende, zou hij de waarheid spreken. En waarom? Die theorie over een zelf, die door de Tathāgata onderwezen is, als een niet-theorie is die door de Tathāgata onderwezen. Daarom wordt zij “theorie over een zelf” genoemd.’


31b. De Verhevene sprak: ‘Aldus moeten alle dharma’s door iemand, die in het Bodhisattva-voertuig op weg gegaan is, gekend, gezien en ijverig nagestreefd worden. En zo moeten ze gekend, gezien en nagestreefd worden dat er geen idee van een dharma ontstaat. En waarom? Een idee van een dharma is een idee van een dharma, Subhūti, (maar) als niet-idee van een dharma is het door de Tathāgata onderwezen. Daarom wordt het “idee van een dharma” genoemd.


32a. En verder, Subhūti, de Bodhisattva, het grote wezen, die onmetelijke, ontelbare wereldsystemen geheel gevuld heeft met de zeven juwelen en ze aan de Tathāgata’s, de Arhhats, de Volledig Ontwaakten ten geschenke zou geven en anderzijds de zoon of dochter van goede familie, die van deze Prajñāpāramitā, deze dharma-preek slechts zoveel als een vers van vier voeten opneemt en zou memoriseren, zou onderwijzen, zou reciteren, zou bestuderen en aan anderen in detail zou verhelderen ─ op basis daarvan zou deze (zoon of dochter) een zeer grote massa van verdienste produceren, onmetelijk, onberekenbaar. En hoe zou hij het (vers) verhelderen? Alsof hij het niet zou verhelderen. Daarom wordt er gezegd: hij zou het verhelderen.


Als sterren, als een oogziekte, als een licht,
als een illusie, als rijp, als een zeepbel,
als een droom, als een bliksem en als een wolk ─
zó moet het geconditioneerde gezien worden.’


32b. Dit sprak de Verhevene. Blij van hart verheugden zich de Oudere Subhūti en de mannelijke en vrouwelijke lekenleerlingen, monniken en nonnen en de Bodhisattva’s en de wereld samen met goden, mensen en asura’s over het door de Verhevene gesprokene.

Het edele Diamant-sūtra, de Verheven Perfectie van Inzicht is (hiermee) ten einde.


Commentaar (slot)


Plotseling wordt in hoofdstuk 31 de aandacht van de lezer van de buitenwereld, de onmetelijke kosmos, afgetrokken en gericht op de binnenwereld. Hier gaat het niet meer over de onmetelijke kosmos, maar over de onpeilbare diepten van het menselijk wezen. Aanvankelijk lijkt hier gesteld te worden, dat er een ‘theorie over het zelf’ door de Boeddha verkondigd is. We hebben echter eerder kennisgenomen (in hoofdstukken 3, 6, 9d, 14c, 14e, 15b, 17a, 17f, 21b, 25) van de ontkenning van het bestaan van een zelf, ziel of persoon.

Hier wordt echter de substantialiteit van de theorie zelf ontkent. ‘De theorie omtrent een zelf is een theorie omtrent een zelf, omdat zij geen theorie omtrent een zelf is en daarom is zij pas een theorie omtrent een zelf’, zo is de boodschap. Niet alleen mens en wereld zijn leeg van een zelf, maar een theorie omtrent een zelf is net zo leeg! In hoofdstuk 25 werd op analoge manier gesteld, dat de waarneming van een zelf leeg is (van een zelf).

In 31b wordt het ‘idee van een dharma’ behandeld. Aangezien er weinig context is, is het niet duidelijk wat hier precies met ‘dharma’ bedoeld wordt. Dat doet er eigenlijk ook niet zo veel toe, omdat het duidelijk is dat wat het ook moge voorstellen, de Bodhisattva in ieder geval niet de idee van een dharma in zijn geest moet laten opkomen. Alle dharma’s moeten zo gekend worden dat men hun niet-substantialiteit niet uit het oog verliest - of dharma nu (element van) de leer, element van de werkelijkheid (ding) of denk-object betekent.

Ten slotte wordt in 32a het sūtra afgerond met een lofprijzing op de eigen inhoud. Wie ook maar één vers ervan uit het hoofd leert en voor anderen reciteert en uitlegt, verwerft onmetelijke verdiensten. Men moet het sūtra echter verhelderen op de manier van niet-verhelderen. (Uw vertaler en commentator is er zeker van in dit laatste geslaagd te zijn!)

In een laatste vers wordt gepoogd de bedoeling van het gehele sūtra samen te vatten: de wereld (het geconditioneerde bestaan) is een illusie, een droom, een zeepbel. Dat wil niet zeggen, dat zij niet bestaat, zoals in idealistische metafysische theorieën gesteld wordt. De centrale these is dat er geen (permanent, substantieel) zelf bestaat. In dit opzicht sluit het sūtra naadloos aan bij de sūtra’s van de Pāli-Canon.

Deze these is wellicht de belangrijkste in het gehele boeddhisme. Alleen door de innerlijke realisering van dit feit is verlossing uit deze wereld, dat wil zeggen bevrijding van lijden, mogelijk. Het betekent dat wij moeten ophouden ons te identificeren met ons lichaam, onze gevoelens en andere componenten van onze vergankelijke persoonlijkheid. Wij zelf zijn een bundel vluchtige processen en de wereld is een stroom van voortdurend veranderende elementen, die (volgens het mahāyāna) zelf ook leeg zijn van iedere substantie.

Dit inzicht wordt (zeker wat het eerste punt betreft) door alle boeddhistische stromingen ─ van Theravāda tot Reine Land-boeddhisme ─ gedeeld, zoals onlangs op een bijeenkomst van boeddhisten van diverse pluimage werd vastgesteld. Het is de geweldige verdienste van de samensteller(s) van dit sūtra geweest ons nogmaals op dit heilsfeit gewezen te hebben, ook als is de bewoording vaak cryptisch en hebben wij moeite met de vormgeving, die uit een zo geheel verschillende culturele context stamt.

Wij kunnen ons daarom aansluiten (in 32b) bij de vreugde van leken en monniken, Bodhisattva’s en goden over de woorden van de Verhevene, die door de historische Boeddha nooit gesproken zijn. Maar omdat ze niet gesproken zijn, daarom zijn ze juist gesproken!  

Bronnen
Vajracchedikā Prajñāpāramitā, ed. and tr. by E. Conze. Rome, 1957
Sangharaksita, The eternal legacy. London: Tharpa Publications, 1985



1
Deze ketenen zijn: 1. geloof aan een permanente persoonlijkheid; 2. twijfelzucht; 3. gehechtheid aan regels en riten; 4. zinnelijke begeerte; 5. agressiviteit; 6. begeerte naar fijnstoffelijk bestaan (bijvoorbeeld in een hemel); 7. begeerte naar onstoffelijk bestaan (in de hoogste hemelen); 8. eigenwaan; 9. opgewondenheid; 10. onwetendheid.
2
Cf. Masumi Shimizu, Das ‘Selbst’ in Japanischer Sicht und die ‘Person’ im Christentum im Licht des neuen Testaments. Leiden: Brill, 1981.
3
De laatstgenoemde mogelijkheid werd mij mondeling gesuggereerd door prof. Masao Abe.
4
In de Japanse vertaling wordt hier ook soku gebruikt ter vertaling van ‘is gelijk aan’.
5
Een eon duurt erg lang. Op de vraag van een monnik dienaangaande (SN 178) antwoordde de Boeddha met een vergelijking. Als een man met een zijden doek uit Benares aan het einde van iedere eeuw naar een berg zou gaan, die vier mijlen hoog, breed en lang is en daar bij iedere gelegenheid met deze doek even langs zou strijken, dan zal deze berg eerder weggepoetst zijn dan de eon verstreken is!
O.a. in de Dīgha Nikāya: in het Ambaṭṭha-sutta (1.5) en in het Mahāpadāna-sutta (1.31). Ze worden alle opgesomd in het Lakkhaṇa-sutta (1.2). In het prachtige Nālaka-sutta van de Sutta Nipāta merkt de ziener Asita bij de pasgeboren Gotama tekenen op die niet nader uitgelegd worden, maar die erop zouden wijzen dat het kind later het Rad van de Leer in beweging zou zetten.