© 2005-2010 SVB




Verslagen van thema-bijeenkomsten van de SVB

 

Boeddhisme en kunst
De levendige voorjaarsbijeenkomst van onze stichting op zaterdag 28 juni& 2003, in het ruime, lichte en inspirerende boeddhistisch centrum Jewel Heart in Nijmegen, stond in het teken van de kunst, bekeken vanuit boeddhistisch perspectief. Hieronder enkele aspecten die de aandacht trokken.

Paul Boersma, die onlangs Jildi Mohamad Sjah is opgevolgd als voorzitter van de stichting, besprak boeddhistische kunst als een uiting van traditionele kunst, die in het algemeen dichter bij de ware werkelijkheid komt dan moderne westerse kunst. Hij baseerde zich op de fundamentele, spirituele eenheid van alle religies, die in religieuze kunst, ook in de boeddhistische kunst, tot uiting komt. Kunst is religieus of gewijd te noemen als zij niet alleen een religieus onderwerp heeft, maar als ook de vormen getuigen van een religieuze inspiratie.
De beroemde schildering van Michelangelo in de Sixtijnse kapel in Rome is daarom geen religieuze kunst in de volledige betekenis van het woord. Het contact tussen God en de mens wordt hier voorgesteld als het elkaar met de vinger betasten van twee mollige blote mannen, wier verpletterende vleselijkheid al het andere zichtbare in de schaduw stelt. Religieuze christelijke kunst in de ware betekenis van het woord is de iconenschilderkunst. Ook de bouwers van de Romaanse en Gotische kathedralen waren echte religieuze kunstenaars. Zulke kunstenaars/ambachtslieden maakten iets dat door de gemeenschap gebruikt werd. Niet alleen de zintuigen moeten door de kunst worden gevoed, maar ook de geest moet erdoor worden geraakt. Het kunstwerk moet de beschouwer wegvoeren van de zintuiglijke wereld naar de werkelijkheid die daarboven ligt. De iconenschilder begint zijn werk aan een icoon met enkele dagen vasten en bidden. Hij werkt zichzelf als het ware op tot een ‘hemels niveau van apperceptie’. Hier verwerkelijkt hij in zichzelf wat hij in de icoon gaat uitdrukken. Op deze manier krijgt het materiële ding een gewijd karakter waardoor de symbolische betekenis ervan diep tot de gebruiker kan doordringen en als werkelijke steun voor contemplatie en hoger begrip kan dienen. De traditionele kunstenaar maakt meestal gebruik van voorbeelden en op deze manier blijven de essentiële kenmerken bewaard. Het boeddhabeeld telt zelfs 32 primaire en 80 secundaire kenmerken waar de kunstenaar zich aan moet houden, maar overigens is er wel degelijk creativiteit mogelijk. Vele prachtige werken leggen daarvan getuigenis af. Kunst wordt in het oude boeddhisme, dat voorleeft in het Theravada, ogenschijnlijk laag gewaardeerd. Het ascetisme gaat soms zover dat er geen ruimte voor kunst overblijft. Maar ook in de oude teksten zijn aanknopingspunten te vinden voor de ervaringen van diepe bewogenheid of verrukking die kunstwerken kunnen oproepen, zoals voorstellingen van het leven van de Boeddha. Het gaat dan nooit alleen om een fysieke reactie. De kunstbeleving staat altijd in verband met een beginnend inzicht in de werkelijke aard van het bestaande.
De volledige tekst van de lezing is te vinden op http://www.paulboersma.nl/.

De schilderes Marian van der Horst beschreef de manier waarop zij rolschilderingen (thangka’s) maakt volgens de Tibetaanse traditie. Zij heeft een grondige opleiding bij Tibetaanse leraren gevolgd, o.a. Gega Lama en Sherab Palden Beru, en bij de Amerikaanse leraar Andy Weber. De vaak heel drukke voorstellingen en de symboliek, maatvoering en kleuren moeten voldoen aan strikte voorschriften, maar de kunstenaar heeft toch ook een aantal vrijheden bij de vervaardiging. Voor de boeddhafiguren is er keuze uit elf zogeheten perfecties, die alle verschijningsvormen in de aardse en andere werelden kunnen uitdrukken, van vreugdige en toornige boeddha’s tot missionarissen uit de eerste eeuwen van het boeddhisme. Een belangrijk handboek voor Tibetaanse iconografie telt maar liefst drieduizend figuren. Ook persoonlijke, westerse elementen zijn binnen het vaste schema mogelijk. Tibetaanse leraren hebben haar daarin ook aangemoedigd met de bedoeling om de ‘boeddhistische iconen’ meer te laten aansluiten bij de westerse belevingswereld. Zij heeft zelfs wel eens kleine wolkenkrabbers in een schildering opgenomen. Het maken van een thangka moet een perfecte handeling zijn, waartoe de kunstenaar zich geestelijk nauwgezet voorbereidt door retraites, het leren van teksten en een zuivere levenswijze. De kunstenaar is een dienaar van de spirituele gemeenschap. De schilderingen stralen door hun symboliek en hun schoonheid een grote spirituele kracht uit, maar de maker blijft op de achtergrond. Werk van Marian van der Horst is te zien in het Boeddhistisch Centrum Jewel Heart, Hatertseveldweg 284, Nijmegen.

De taal- en literatuurwetenschapper dr. Dorothea Franck sprak over poëzie als boeddhistische praktijk. Er is veel poëzie in de traditionele teksten te vinden, vooral in leerdichten en spontane uitingen van verlichtingservaringen. In moderne poëzie zit voor wie er gevoelig voor is, veel onuitgesproken boeddhisme verscholen. Alle belangrijke teksten uit de boeddhistische traditie hebben dichterlijke vormen. Uit een perfecte vorm spreekt respect voor de tekst. De dichterlijke vorm is een hulpmiddel voor het geheugen. Uit het hoofd leren is een uitstekende manier om de betekenis te verinnerlijken. Poëtische taal laat in de ontvankelijke lezers de inhoud resoneren. Daarom bestaan er in veel culturen profane en sacrale talen naast elkaar, zoals in de rooms-katholieke kerk lange tijd het Latijn naast de volkstaal. Poëzie heeft haar eigen precisie. In het boeddhisme helpen recitatie in Sanskriet, Pali, Tibetaans of Japans veel beoefenaars om de innerlijke samenhang tussen vorm en inhoud aan te voelen.
Poëzie kan de eeuwen overleven. Telkens voelen lezers zich opnieuw door dezelfde teksten geraakt. Grote spirituele leraren spreken precies voor ieder persoonlijk: iedereen voelt zich op zijn of haar manier door dezelfde boodschap aangesproken. Zo wordt het Dhammapada, meer dan tweeduizend jaar oud, nog vaak aangehaald. Wanneer een verlichtingservaring spontaan in poëtische vorm tot uiting komt, kan de lezer er met een schok op reageren Leraren gebruiken de poëzie soms als een methode om iemand de ervaring van de onderlinge samenhang van alles op een doordringende wijze te laten voelen. De bedoeling is niet gelóven, maar ontdekken. Ook in moderne poëzie waarbij de dichter niet bewust een spirituele bedoeling heeft, kan de lezer vaak iets van de universele eenheid van het bestaan gewaarworden. Het gaat om het ervaren door directe zintuiglijkheid, zonder oordelen – even totaal aanwezig zijn in het hier en nu.

Prof.dr. Karel van Kooij, hoogleraar kunstgeschiedenis van Zuid-Azië aan de Universiteit Leiden, besprak de traditionele boeddhistische voorstelling van de kringloop of ring van het bestaan, bhavacakra (spreek uit: bawa-tsjakkra). De veel gebruikte vertaling als levenswiel of rad van het bestaan wekt een onjuiste indruk. Niet het bhavacakra draait, maar de mensen draaien rond, van bestaan naar bestaan. De kleurige, cirkelvormige voorstelling verbeeldt de kern van de leer van de Boeddha. De afbeelding brengt de volledige samenhang van al het bestaande tot uitdrukking. In het midden, de as van het wiel, zijn de drie negatieve kracht- en van het bestaan symbolisch als dieren weergegeven: de hartstochten in de vorm van een haan, de haat als een slang en de verblinding als een varken. Daaromheen zijn de zes, soms vijf, vormen van bestaan in beeld gebracht: de werelden van de goden, rebelse goden (asura’s), mensen en dieren, en de koude en hete hellen. In elk van die domeinen is echter een boeddhafiguur aanwezig. Dit geeft aan dat overal bevrijding, dus ontsnapping uit de kringloop van het bestaan, mogelijk is. Om bevrijd te worden, is het noodzakelijk de keten van oorzaak en gevolg te doorbreken, die de levende wezens van het ene bestaansmoment aan het volgende vastlegt. Deze allesbepalende ketting met zijn twaalf schakels vormt de buitenste ring van het bhavacakra. De plaatjes waarmee de schakels worden verbeeld, van onwetendheid tot (weder)geboorte, ouderdom en dood, zijn niet altijd in alle bavachakra’s hetzelfde. Ook de volgorde van de schakels loopt uiteen. Naar de oorzaak hiervan kunnen de geleerden alleen maar gissen. Het wiel wordt omsloten door de klauwen en de muil van een afschrikwekkende gedaante, die Yama, de Heer van de Dood, voorstelt of de duivelachtige Mara van wie volgens de legende de Boeddha in de nacht van zijn verlichting pas met uiterste krachtsinspanning wist te winnen. De oudst bekende afbeelding van het bhavacakra is een zwaargehavende muurschildering in een van de tempels die zijn uitgehouwen in de grotten van Ajanta in India. De schildering dateert uit de vijfde eeuw van onze jaartelling. Volgens de regels van de monnikengemeenschap uit de begintijd van het boeddhisme moet zo’n afbeelding in elk klooster aanwezig zijn. Maar in China, Japan en de Zuid-Aziatische landen waar het Theravada de overheersende religie is, komt zij niet voor. Op Tibetaanse thangka’s wordt het ‘levenswiel’ echter vaak afgebeeld. Het bhavacakra is didactisch bedoeld. Aan de hand van de schildering kan een monnik de leer van de Boeddha stapje voor stapje, plaatje voor plaatje, verklaren, ook aan analfabeten. Maar de voorstelling kan ook dienen als hulpmiddel bij de meditatie.

Voor nadere informatie bij http://www.google.com/ als zoekterm bhavacakra intikken.