© 2005-2010 SVB




Verslagen van thema-bijeenkomsten van de SVB

 

Boeddhisme en filosofie

Amsterdam, 13 november 2004
Om een zinvol gesprek op gang te brengen over het thema 'Boeddhisme en filosofie' waren drie sprekers uitgenodigd die allen goed thuis waren in zowel de westerse als de oosterse filosofie, en ook allen ervaring hadden met boeddhistische spirituele technieken.

Maurice Knegtel wilde laten zien dat Zen in de Yogacara filosofie wortelt, maar begon met een schets van de vier edele waarheden vanuit Mahayana perspectief. De eerste edele waarheid werd toegelicht met behulp van een etymologie van het woord dukkha, dat volgens de spreker niet zozeer als lijden moet worden opgevat, maar het beeld overbrengt van een wiel dat vast loopt, omdat de as niet goed is. De tweede waarheid wijst niet hunkering (tanha) aan als oorzaak, maar krampachtig willen en hard geworden weten. Als Mahayana-man, en als iemand die wel van een sigaretje en een biertje houdt, noemde de spreker klampen, begeren, zoeken en streven menselijk en niet leidend tot 'aanlopen van de wagenas'. Gehechtheid is nuttig, bijvoorbeeld bij het zorgen voor kinderen, verkramping is het probleem. Ook boekenwijsheid werd door de spreker niet afgewezen: het probleem ontstaat als deze werkelijker wordt gevonden dan de eigen ervaring. De derde waarheid noemt de twee factoren ontspanning (door samatha-meditatie) en inzicht, het doorkijken naar wat er werkelijk is. Doel is prajna, onderscheidingsvermogen tussen wat er is en mijn oordeel erover, datgene wat ik ervan maak. De in de vierde waarheid genoemde weg uit de impasse werd door de spreker niet beperkt tot het achtvoudige pad, maar bevatte alles wat de tradities in de loop der eeuwen hebben geboden, met name de twee Mahayana filosofieën Madhyamaka en Yogacara. Beide streven naar prajna , de eerste door een diepgaand zelfonderzoek, uitmondend in de conclusie dat je niet kunt bepalen wat je ervaring inhoudt. Yogacara gaat mee in het aanvaarden van de openheid van geest en de leegte van alle dingen, maar vindt dat er toch wel iets te zeggen valt over wat we ervaren, namelijk dat het 'boeddhanatuur' of 'enkel bewustzijn' is. Dit is iets onzichtbaars en ongrijpbaars, dat alleen langs indirecte weg (via emoties, denken enz.) gekend kan worden. Om te laten zien wat dit mysterie inhoudt ging de spreker over tot een gedachte-experiment, dat treffend het verschil illustreerde tussen de werkelijkheid en wat wij eraan toevoegen. Hij toonde hier grote theaterkwaliteiten. Volgens Yogacara zit het probleem niet in het scheppen van een eigen werkelijkheid, maar in het niet wakker blijven: “het mysterie van de boeddhanatuur moet wakend doorleefd worden”. De Chinese Chan-leraren (voorlopers van de Zen) pasten dit inzicht toe. Zazen (zitten in dhyana) is niets anders dan het zitten in het mysterievolle functioneren van de Boeddhanatuur. De spreker eindigde met een levendige voordracht van enkele bekende verhalen over de onorthodoxe en non-verbale manieren, waarop de vroege Zenleraren de leerlingen wakker schudden.

Erik Hoogcarspel beschreef, in overeenstemming met een populaire opvatting over het Mahayana, de verzameling teksten die de Prajanaparamita wordt genoemd tegelijk als afkomstig van de Boeddha en als een breuk met de voorgaande aanwijzingen om “het boeddhaschap” te bereiken. Monnikschap, regels, hemel en hel zouden minder belangrijk zijn geworden. De in de tweede eeuw na Chr. levende monnik Nagarjuna heeft een van de belangrijkste Mahayana geschriften vervaardigd; dit kan vertaald worden als: De wortel van de filosofie van het midden. Een fragment van Hoogcarspels Nederlandse vertaling was tevoren aan de deelnemers uitgereikt. De spreker deelde mee dat hij ontdekt had dat zij eigenlijk uit twee delen bestaat. De twee laatste hoofdstukken over karma zijn volgens hem een latere toevoeging. Geschriften als dit, karika's genoemd, werden aanvankelijk alleen gebruikt als hulpmiddelen om beter te kunnen discussiëren; later pas dienden zij om transcendente wijsheden te begrijpen. Nagarjuna zei zelf geen enkel standpunt in te nemen, alleen maar de standpunten van anderen te ontzenuwen (hetgeen hem niet in dank afgenomen werd). Bij zijn volgelingen ontstond een splitsing tussen hen, die wel een standpunt wilden verdedigen en degenen die trouw bleven aan Nagarjuna's principe. Het geschrift sloot aan op onderwerpen die indertijd veel besproken werden, met name het zogenaamde afhankelijk ontstaan. Nagarjuna verwijst soms naar een meditatieve ervaring, waarzonder zijn woorden niet begrijpelijk zijn. De spreker zei aanvankelijk gedacht te hebben dat Nagarjuna een hogere werkelijkheid op het oog had, maar later tot de slotsom gekomen te zijn dat dit niet zo was: de werkelijkheid is leeg, dat wil zeggen, het is een afwezigheid. Dit kunnen we inzien, als we ons niet laten verleiden tot het aannemen van een zelfstandig bestaan der dingen. Nirwana is het ervaren van die afwezigheid: het stoppen van alle dingen. De uitgedeelde tekst ging over de tijd; er werd betoogd dat verleden, heden en toekomst niet echt bestaan. Een deelnemer stelde een correctie voor, waar de spreker mee akkoord ging, maar er bleef verwarring over de passage. De aansluitende discussie was zeer levendig. Zo waren er deelnemers die vonden dat N. een ontoereikende logica had gebruikt, of dat hij de logica toepaste op een gebied waar zij niet thuishoort: het transcendente. De spreker kreeg ook tegenspraak aangaande zijn standpunt dat N. vooral als een scepticus gezien moet worden (ook de sceptici streefden innerlijke vrede na). Ook ontstond een discussie over de vraag in hoeverre N. oprecht was in zijn prijzen van het door de Boeddha uitgevonden begrip 'afhankelijk ontstaan'.

De lezing van Andre van der Braak was een poging om met behulp van westerse filosofie (Plato) iets te leren over de oosterse, met name op het gebied van de relatie leraar-leerling. In de Platoonse dialoog Het Symposion betoogt Socrates dat het begin van alle wijsheid het verlangen is, een geheel andere benadering dus dan de boeddhistische. Het Griekse woord Eros betekent verlangen in de ruimste zin, het verlangen om gelukkig te worden. Eros op het niveau van de zinnen is seksualiteit, gierigheid, enz. Op het hoogste niveau is Eros de begeerte naar wijsheid van de wijsgeer.De liefde voor de vrouw kan overgaan in liefde voor de ziel die schoon is (de beroemde Platoonse liefde), en later in liefde voor de idee van de schoonheid zelf. Het verlangen leidt tot verwekken en baren op verschillende niveaus: kinderen, kunstwerken, wijsgerig inzicht. Het begrip Charisma, dat etymologisch 'geschenk van de goden' betekent, staat met Eros in nauw verband. Door de Eros kan het geschenk van de goden overgebracht worden: de leerling raakt in de ban van de charismatische leraar. In de Griekse situatie werkte de Eros op alle niveaus: vele (mannelijke) leerlingen probeerden Socrates seksueel te verleiden, maar het voorbeeld van de charismatische leraar wekt ook een gevoel van schaamte over de eigen levenswijze. Eros en Charisma lijken in tegenspraak met de boeddhistische uitgangspunten. De spreker betoogde dat Eros (die op zich blind is) door Scepsis (een besef dat we niet weten) in evenwicht gehouden dient te worden. Door Scepsis wordt bovendien Eros in zijn hogere vorm (als verlangen naar wijsheid) gewekt. In het Boeddhisme overweegt de Scepsis, die uit het lijden voert, doordat het de weg vrij maakt voor een hoger weten. In Theravada is de leraar-leerling verhouding niet prominent: voorop staat de spirituele methode. Bij Zen en Tibetaans boeddhisme daarentegen is deze verhouding essentieel. Haarscherp bracht de spreker een zekere dubbelzinnigheid bij deze richtingen onder woorden: van de ene kant wordt het verwerpen van elke autoriteit er aangemoedigd; van de andere kant wordt onvoorwaardelijke gehoorzaamheid aan de leraar gevraagd. 'Overdracht' heeft in de Tibetaanse traditie een functie: de leerling ziet de Boeddha in de meester (al dan niet terecht) en dat helpt hem om verlicht te worden. Bij Zen straalt de leraar het grote vertrouwen uit, is dus in zekere zin “erotisch”. Dit vertrouwen is onder andere nodig om het op het eerste gezicht nutteloze meditatiewerk gaande te houden. Volgens de spreker is in het Westen te veel de nadruk gelegd op de verlichting van de leraar. Anderzijds is ook binnen het boeddhisme de Boeddha een onbereikbaar model, in tegenstelling tot Socrates, die gewoon meedoet aan zuipen en vrijen. De stelling van de spreker, die zelf teleurstellende ervaringen met de leraren Dhammaviranata en Andrew Cohen heeft gehad, is dat westerse leraren niet met Eros om kunnen gaan. Ze ontmoedigen de Eros niet, zoals Socrates wel deed. In de discussie kwam naar voren dat in de Pali-canon de Boeddha overdracht afwijst, en dat de leraren in het Westen vaak in de fout gaan door hun isolatie.