Magazine van de stichting Vrienden van het Boeddhisme - november 2007
WELKOM TEKSTEN ARCHIEF STICHTING CONTACT LINKS ZOEKEN
Artikelen Nieuwsberichten Beschouwingen

Onderstaand artikel is gebaseerd op een lezing door drs. Jacques den Boer ter gelegenheid van het veertigjarig bestaan van de stichting Vrienden van het Boeddhisme, voorheen Stichting Nederlands Buddhistisch Centrum, op zondag 18 november 2007 in het Spiritueel Centrum De Roos, Amsterdam.

Tulpenboeddhisme

Hoe het boeddhisme in Nederland wortel heeft geschoten

Jacques den Boer

n de ontwikkeling van het boeddhisme in ons land zijn vier fasen te onderscheiden.

– de fase van de vertalingen (1842-1945)
– de pioniersfase (1945-1975)
– de vestigingsfase (1975-1990)
– de fase van inburgering en uitbreiding (vanaf 1990)


In dit overzicht geef ik deze fasen in grote lijnen weer.

1. De fase van de vertalingen

Het oudste geschrift in de Nederlandse taal waarin een beschrijving van het boeddhisme wordt gegeven, dateert van 18 november 1842. Deze datum kan worden beschouwd als de geboortedag van het boeddhisme in Nederland. Op die dag voltooide de doopsgezinde predikant dr. J.H. Halbertsma (1789-1869) in Deventer een schets van leven en leer van de Boeddha. De Overijsselsche Almanak voor oudheid en letteren kreeg eind 1842 de primeur, maar in februari 1843 verscheen de enigszins aangevulde tekst in boekvorm onder de titel Het Buddhisme en zijn Stichter. Het geschrift telde 83 kleine bladzijden en de oplage was niet meer dan 50 exemplaren. Het trok dan ook nauwelijks aandacht.

Halbertsma was behalve dominee ook taalkundige en interesseerde zich voor het Sanskriet. Zijn boekje was gebaseerd op informatie van de resident van de Britse Oost-Indische Compagnie aan het hof van Nepal in Kathmandu, B.H. Hodgson (1800-1894). Een van diens zusters was getrouwd met een Nederlander, baron Nahuys van Burgst, een kennis van Halbertsma. De baron had een bundel met artikelen van zijn zwager over dat exotische geloof, het boeddhisme, aan de geleerde dominee ter inzage gegeven.

Hodgson verzamelde in Nepal honderden boeddhistische teksten in Sanskriet en Tibetaans en stuurde die naar taalgeleerden in Europa. Op basis van dit materiaal publiceerde de Franse oriëntalist Eugène Burnouf in 1844 – dus een jaar na het boekje van Halbertsma – de eerste brede wetenschappelijke studie over het boeddhisme, Introduction à l’Histoire du Bouddhisme Indien.

Binnen enkele decennia volgde een stortvloed van vertalingen van boeddhistische teksten, vooral in Engels en Duits. In ons land moesten belangstellenden het voornamelijk doen met deze vertalingen of met Nederlandse vertalingen van de buitenlandse vertalingen. Wel verscheen er in deze beginperiode ook een Geschiedenis van het Buddhisme in Indië (het toenmalige Brits-Indië) in twee delen (1882-1884) van de eerste hoogleraar in het Sanskriet in ons land, prof. dr. H. Kern in Leiden.

De meest geruchtmakende sympathisant van de Boeddha omstreeks 1900 was de predikant dr. Louis A. Bähler (1867-1941). Deze christen-anarchist en pacifist vertaalde een Duits pamflet met de provocerende titel Het ‘Christelijke’ Barbarendom in Europa. Boeddhistische Zending. Het was zogenaamd geschreven door een lama en uitgegeven door dr. Frans Hartmann. De uitgever bleek later zelf de auteur te zijn. In het voorwoord van de vertaling verklaarde dominee Bähler:

‘Een feit is het, dat onze Christelijke wereldbeschouwing waar zij mis is, door de Boeddhistische verbeterd en waar zij onvolledig is door de Boeddhistische aangevuld kan worden.’

Het kostte hem bijna zijn ambt. Het conflict ontketende in protestants-christelijke kring een ware ‘hype’ rond het boeddhisme.

In de jaren tot de Tweede Wereldoorlog kreeg de leer van de Boeddha vooral bekendheid door de theosofie. De grondlegster van deze beweging, de Duits-Russische Helena Petrovna Blavatsky (1831-1891), voelde zich langs occulte weg geleid door twee tibetaans-boeddhistische Meesters. Zij verklaarde dat ze haar hadden ingewijd in een oeroude wijsheid en wetenschap die de grondslag is van alle religies en de broederschap der mensheid. Deze door haar openbaar gemaakte ‘geheime leer’ of theosofie werd ook wel ‘esoterisch boeddhisme’ genoemd.

Blavatsky en de Amerikaan H.S. Olcott, medeoprichter van de Theosofische Vereniging in 1875, vestigden hun hoofdkwartier in Adyar (Brits-Indië). In 1880 waren zij op Ceylon (nu Sri Lanka) de eerste westerlingen die toevlucht namen tot de Boeddha, de Dhamma en de Sangha. De theosofie kreeg grote aanhang in het Westen en onder hindoes en boeddhisten in Azië. Olcott schreef een Boeddhistische Catechismus, een internationale bestseller die in 1905 in het Nederlands verscheen en nog steeds in de handel is.

Sporen van de praktische beoefening van het boeddhisme in Nederland vóór 1945 zijn er nauwelijks. De grote uitzondering is Frans Bergendahl (1885-1915), de zoon van een welgestelde Amsterdamse koopman. Hij werd in 1906 op Ceylon door de eerste bhikkhu van Duitse afkomst, Nyanatiloka, in de orde opgenomen en een jaar later tot monnik gewijd als de eerste Nederlandse bhikkhu. Hij kreeg de naam Suñño. Na terugkeer in Nederland om gezondheidsredenen werd hij verpleegd in een sanatorium op de Veluwe, waar dominee Bähler nog lange gesprekken met hem voerde. Op 31 juli 1915 overleed hij.

2. De pioniersfase

Na de eeuw van de vertalingen brak in 1949 in Nederland eindelijk het tijdvak van de praktijk van het boeddhisme aan. In Duitsland (1903), Engeland (1907) en Frankrijk (1929) waren al lang verenigingen van praktiserende boeddhisten actief. De eerste van de pioniers in ons land was een bejaarde dame, M.A. Spruitenburg-Dwars (1882-1976). Zij was in 1938 vertrokken naar het theosofische hoofdkwartier in Adyar en kwam na de oorlog terug als overtuigd boeddhiste.

Op 2 januari 1949 richtte zij de Nederlands Buddhistische Vriendenkring op. Zij wist de kring landelijke bekendheid te geven, o.a. door via de Buddhist Society in Londen bhikkhu’s uit Engeland te laten overkomen voor lezingen in Amsterdam en Den Haag. De kring werd ook lid van de Broederschapsfederatie die gelieerd was aan de Theosofische Vereniging.

Jarenlang kwam bijna elke zaterdag een aantal kringleden bijeen in haar kleine villa in Huizen. Ze leerden mediteren en er werd over de leer van de Boeddha gesproken, bijvoorbeeld aan de hand van een artikel uit The Middle Way, het blad van de Buddhist Society, of een brochure van de Buddhist Publication Society op Sri Lanka. Ook de latere voormannen Peter van der Beek, in 1967 oprichter van de Stichting Nederlands Buddhistische Centrum, en Johan Niezing, rond 2000 voorzitter van de BUN, waren enige tijd geregelde bezoekers van de kringbijeenkomsten.

Omstreeks 1962 droeg mevr. Spruitenburg, die inmiddels bijna tachtig jaar was, de leiding van de kring over aan haar actiefste volgeling, drs. Ernst H. Verwaal (1926-1994). Deze Haagse ambtenaar was van huis uit gereformeerd, maar had theologie gestudeerd aan het Oud-Katholiek Seminarie in Amersfoort en, direct na de oorlog, in het Russisch-orthodoxe klooster van Job van Portsjaev in Genève. Terug in Nederland leerde hij door een Chinees-Indische vriend, Robert The Tjong Tjioe, het zenboeddhisme en de Boeddhistische Vriendenkring kennen.

Begin jaren zestig werd zijn huis in Den Haag de plaats van samenkomst van de Vriendenkring. Verwaal was een innemend man, studieus en een vlot spreker. Hij sprak vanuit zijn beleving en trad gemakkelijk in dialoog met zijn toehoorders. Hij richtte een periodiek op, De Samenspraak, het eerste boeddhistische tijdschrift in ons land.

Er kwamen vooraanstaande buitenlandse bezoekers, zoals bhikkhu Nārada uit Ceylon, Kosho Otani Roshi uit Japan en tweemaal D.T. Suzuki uit de Verenigde Staten. Verwaal werd bekend als ‘de zenboeddhist’, onder meer door zijn boek Wijzen naar de maan, een benadering van Zen (1964). Hij gaf lezingen en werd gevraagd voor tv en radio. Zen leert je luisteren naar de stem van de intuïtie, vond hij. ‘Ik geloof niet erg aan dat traditionele Zen. Ik geloof dat we dat gewoon moeten vertalen.’

Het was een roerige tijd in het naoorlogse Nederland. De geboortegolf van 1946-1947 had de middelbare school bereikt en bij de jongeren sloegen de muziek, levensstijl en ideeën van de Amerikaanse protestgeneratie aan: tégen het materialisme en de autoriteit van de vorige generatie, tégen de Vietnam-oorlog en kernwapens, vóór hasj en LSD, vóór een lossere seksuele moraal, vóór universitaire democratisering.

Het was een tijd van vernieuwing, ook op spiritueel gebied. Zen waaide over uit Amerika. De Dalai Lama vluchtte uit Tibet naar India en vanaf 1959 zwierven lama’s uit over de westerse wereld. De Vriendenkring van Verwaal breidde zich uit.

Intussen volgde een Groningse boeddhist, Peter van der Beek, zijn eigen traject. Evenals Verwaal van gereformeerden huize, ontdekte hij het boeddhisme op de Christelijke Jongelingsvereniging. Hij las er een boek van prof. dr. H. Kraemer, The Christian message in a non-Christian World. Later vertelde hij: ‘Kraemer beschreef het boeddhisme als een pragmatische filosofie en geen dogmatische godsdienst. Dit veranderde mijn religieus wereldbeeld ten diepste.’

In zijn gymnasiumtijd keek hij nog even bij de Hernhutters en de Rozenkruisers, maar het boeddhisme bleek het sterkst. Hij las boeken en artikelen en correspondeerde soms met de auteurs. Zo kwam hij in contact met de Engelse boeddhist Jack A. Austin, lid van de Western Buddhist Order, gesticht door de Amerikaanse theravada- en shin-boeddhist bhikkhu Sumangalo. (Niet te verwarren met de latere orde van die naam, gesticht door de Engelsman Sangharakshita.) Op 3 juli 1953 nam Van der Beek in Londen ten overstaan van Jack Austin toevlucht tot de Boeddha, de Dhamma en de Sangha. Van toen af ging hij her en der lezingen over boeddhisme geven.

In 1961 zette hij een volgende stap. Hij werd kandidaat-ordelid van de westelijke tak van de orde Arya Maitreya Mandala in Duitsland. De orde was in India opgericht door de van oorsprong Duitse lama Anagarika Govinda (E.L. Hofmann). De AMM streeft naar een vorm van boeddhisme die past in de westerse samenleving. Na een grondige training in de boeddhistische leer en meditatie op Tibetaanse grondslag werd Van der Beek in september 1965 tot priester gewijd.

Eind oktober gaf hij, nu als de reverend Van der Beek AMM, een lezing op een Jongerencongres in Arnhem. Naar aanleiding van een verslag in de Amersfoortsche Courant kreeg hij een brief van ene mr. L. Boer die inlichtingen vroeg over de orde. Ze maakten kennis met elkaar, en hieruit ontstonden de eerste ideeën voor een Nederlands Buddhistisch Centrum.

Kort daarna, op oudejaarsdag 1965, stuurde Van der Beek aan Verwaal van de Vriendenkring een brief die de oprichting van de stichting inluidde.

‘Bij lezingen over het buddhisme, die ik de laatste tijd vrij regelmatig hou, stuit ik herhaaldelijk op vragen van het publiek over het buddhisme in Nederland en hoe dit is georganiseerd. Het is – naar mijn mening – een onplezierige en verdrietige omstandigheid, dat het buddhisme ten onzent geen centrale organisatie heeft, waarin alle buddhistische activiteiten zijn geconcentreerd. (…) Mijn vraag in concreto is, zou het niet mogelijk zijn ook in ons land een soort overkoepelende organisatie te creëren (zoals in Duitsland de Deutsche Buddhistische Union), waarin alle Nederlandse verenigingen en groeperingen harmonisch en efficiënt zouden kunnen samenwerken?’

De reactie van Verwaal was onverwacht: hij vroeg Van der Beek om het voorzitterschap van de Vriendenkring van hem over te nemen, omdat hij er door veelvuldig verblijf in het buitenland geen tijd meer voor had. De kring telde ongeveer zestig leden in Den Haag, Amsterdam en Rotterdam en omstreken, schreef hij. ‘De Thaise ambassade is zeer in het werk van onze Kring geïnteresseerd. Van hen zult U zeker alle steun ontvangen.’

In een brief van 23 februari 1966 wees Van der Beek het verzoek af. Groningen lag te ver van de Randstad, vond hij. Maar hij kwam met een verrassend alternatief. Hij stelde voor om in plaats van de Vriendenkring lokale groepen te vormen en legde Verwaal een concept voor van een overkoepelend Nederlands Buddhistisch Centrum, dat hij samen met mr. L. Boer had opgesteld.

Verwaal liet echter niets meer van zich horen. Na enige tijd besloten Van der Beek en Boer het plan voorlopig in de ijskast te leggen. De Vriendenkring ging voort onder de naam ‘Buddhist Society in the Netherlands’ met een Thaise diplomaat als voorzitter. Dat liep niet goed af. Op 5 oktober 1967 werd de Society ontbonden ‘daar deze geen werkelijke Buddhistische basis meer heeft’, d.w.z. de leden toonden nog maar weinig animo. De weg was vrij voor een nieuwe aanpak.

Van der Beek en Boer lieten er geen gras over groeien. Een maand later, 8 november 1967, zat Peter van der Beek bij notaris G.H. Smits in Groningen om de akte te passeren voor de Stichting Nederlands Buddhistisch Centrum. Hij trad tevens op als gemachtigde voor mr. L. Boer, mej. J.J.C. Perk, Bruno Mertens en mej. V.F. Laterveer.

Alle vijf waren ze lid van de Vriendenkring geweest en allemaal waren ze lid van de Buddhist Society in Engeland. Boer en mej. Perk behoorden net als Van der Beek tot de AMM, Bruno Mertens en Veronica Laterveer zaten in de theravada-hoek.

De eerste initiatiefnemers vulden elkaar uitstekend aan. Van der Beek (38), hoofd van de administratie van de universiteit in Groningen, had een gedegen kennis van het boeddhisme en was een ervaren spreker, maar geen vaardig organisator. Boer (46) was een ordelijk, doortastend jurist, directeur van de Ned. Bond van Gemeente-ambtenaren, allergisch voor dikdoenerij, met een warm hart voor de zwakken in de samenleving. Met de AMM stopte hij na enige tijd. Te exotisch, vond hij, met een heleboel liturgie en Sanskriet. Zen lag hem beter.

  Hannie Perk (37) was in 1939 met moeder, zusje en broer uit Nederlands-Indië gekomen en werkte in Den Haag als ambtenares op het ministerie van defensie. Zij had Peter van der Beek toevertrouwd 30.000 gulden te willen bestemmen voor een centrum waar een monnik zou kunnen wonen. Leo Boer was er sceptisch over en inderdaad werd er verder niets meer over vernomen.

  Bruno Mertens (53) was opgeleid tot architect in Zwitserland en daar getrouwd. Rond 1950 werd hij keramist en kunstschilder, eerst in Barcelona, en vanaf 1961 in een oude boerderij in Bodegraven. Hij was een tijdje monnik in Thailand en beschouwde het hoofd van Buddhapadipa Tempel in Londen, Dhiravamsa, als zijn meditatieleraar.

  Veronica F. Laterveer (26) was de jongste van de oprichters. Ze had literaire aspiraties, publiceerde in 1969 een kleine roman, Wespen van Parijs, en in 1970 Tabi, een avontuurlijke reis door het Verre Oosten. Later studeerde ze Nederlands en werd lerares.

Voor de oprichtingsakte was een beetje afgekeken bij de Britse Buddhist Society. De stichting heeft tot doel, zo stond er,

‘de studie van de beginselen van het buddhisme te bevorderen en de praktische toepassing van deze beginselen aan te moedigen; de stichting streeft ernaar haar arbeid te verrichten in nauwe samenwerking met buddhistische organisaties en instellingen in Nederland.’

Het kwam in de eerste plaats neer op ‘het geven van voorlichting, advies en bijstand aan buddhistische organisaties en instellingen, alsmede aan individuele buddhisten’. De stichting is in dit opzicht succesvol geweest. Vervolgens werd beoogd:

‘het verkrijgen van een ontmoetingscentrum voor buddhisten in Nederland en/of het ondersteunen van de stichting en eksploitatie van een zodanig ontmoetingscentrum’, ‘het verrichten van arbeid van maatschappelijke en kunstzinnige aard in de geest van het buddhisme’, en ‘het bevorderen van kontakt met andersdenkenden teneinde een bijdrage te leveren tot de oplossing van de eigentijdse problemen’.

Deze zaken zijn minder goed uit de verf gekomen.

De eerste bestuursvergadering was op zondag 26 november 1967, in café De Oude Tram in Amersfoort. Daar kwamen er nog drie bestuursleden bij, ook AMM’ers: mevr. dra. C.Tj. Zelvelder- van der Laan, een kordate sociologe, die zich vanaf haar zestiende als boeddhist beschouwde, Everhard Post, een vriend van Van der Beek uit Groningen, en mevr. H.A.M. Perk-Meeuwesen, de moeder van mej. Perk. Alle drie waren zeer betrokken bij het lot van de gevluchte Tibetanen. Een half jaar later richtten ze een Hulpfonds voor boeddhistische geestelijken op, waar ook theosofen aan meededen.

Zo begon de institutionalisering van het boeddhisme in Nederland. Twee maanden later, in januari 1968, verscheen het eerste nummer van Saddharma, de Goede Leer, als Mededelingenblad van de stichting, met een oproep om donateur te worden. Het volgende nummer was al een echt tijdschriftje met een kartonnen kaft, dat als kwartaalblad ging verschijnen. De inhoud was gevarieerd: korte leerzame artikelen, boekbesprekingen, nieuws, ook uit buitenlandse periodieken. Het juli-nummer werd verzonden aan 42 adressen.

Van der Beek ging door met zijn lezingen en er waren contacten met het handjevol groeperingen dat actief was, zoals de herrezen Boeddhistische Vriendenkring Den Haag. In april 1968 werd ook een Zenkring in Amersfoort opgericht, door Leo Boer en Veronica Laterveer, het eerste zencentrum in Nederland. De kring floreert nog steeds, sinds 1974 onder leiding van Erik Bruijn, de eerste zenleraar in ons land met autorisatie van een Japanse zenmeester, nl. Zengo Miroku, die lange tijd in Engeland verbleef.

Het jaar erop, voorjaar 1969, werd de eerste weekendbijeenkomst voor donateurs en andere belangstellenden gehouden in het Natuurvriendenhuis in Bennekom. Hier begon een lange traditie van thema-bijeenkomsten, hoewel mettertijd het weekend werd ingekort tot een dag.

Het aantal boeddhisten in ons land was nog heel klein. Bij de laatst gehouden volkstelling, in 1971, waren er negenhonderd. Wie zich boeddhist noemde, leefde vermoedelijk zoveel mogelijk volgens de boeddhistische leer zoals men die zelf inschatte. De feitelijke kennis van de leer en de beoefening was vaak nog heel bescheiden.

Bij de stichting waren zeven groeperingen aangesloten: Vriendenkringen in Den Haag, Utrecht en Amsterdam, de Zenkring en een Amsterdams zengroepje, in Den Haag het Boeddhistisch Instituut (voornamelijk een bibliotheek) van ir. J. Bloemsma, en ten slotte de Werkgroep bevordering en verdieping van het boeddhisme, die een Thais-boeddhistische tempel in ons land wilde stichten.

Het Amsterdamse zengroepje draaide om een kleine zendo aan de Haarlemmer Houttuinen, in het pand van het textielbedrijf van een bestuurslid dat naderhand beroemd is geworden als auteur van thrillers: Janwillem van de Wetering (1931-2008). Na zijn omzwervingen over de wereld, met o.a. een pauze van anderhalf jaar in een Japans zenklooster, was hij in Amsterdam beland.

Eens per maand ging hij ook mediteren bij de Zenkring van Leo Boer in Amersfoort. Zo werd hij in 1972 kortstondig secretaris en redacteur van Saddharma. Maar het was eigenlijk niks voor hem. In een brief aan de vice-voorzitter van de stichting, prof.dr. V. Westhoff, schreef hij:

‘Het Boeddhisme boeit me, het is het mooiste en diepste dat ik ooit heb aangeraakt. Maar ik heb altijd vermoed dat het alleen mogelijk is iets te bereiken als er onder een meester gewerkt wordt, zonder aan de weg te timmeren. Sindsdien heb ik, door mijn lidmaatschap van de Stichting, wel degelijk aan de weg getimmerd, en het bekomt me slecht.’ Hij besloot daarom de stichting en de Zenkring vaarwel te zeggen en zijn eigen groepsactiviteiten in Amsterdam op te geven. Drie jaar later vestigde hij zich in een zengemeenschap in Maine, aan de Amerikaanse oostkust.

De stichting ontwikkelde zich langzaam. Na vijf jaar, in 1973, waren er 125 donateurs. Er waren twee brochures verschenen: Natuurbehoud en Milieubeheer: Mettā en karunā van prof. Westhoff en Grondbeginselen van het boeddhisme door dr. A.C.M. Kurpershoek-Scherft.

Deze twee donateurs van het eerste uur, beiden al snel bestuurslid en later voorzitter, mogen wel de coryfeeën van de vroege stichting heten. Victor Westhoff (1916-2001), hoogleraar in de plantkunde in Nijmegen en een van de grondleggers van de natuurbescherming in Nederland, was letterlijk boeddhist van nature. Van jongs af voelde hij een diepe verbondenheid met al wat leeft. Toen hij op z’n eenentwintigste het boek Mipam van Lama Yongden las, dacht hij: dan ben ik boeddhist!

Ook Tonny Kurpershoek-Scherft (1921-1999), neerlandica, vond door een boek het boeddhisme. De vertalingen uit de Pali Canon in Het evangelie van Boeddha door Paul Carus raakten haar zo diep dat ze besloot die taal, het Pali, te gaan leren. In 1970 publiceerde zij Er is geen zelf; Boeddha’s boodschap van het geluk. Haar boek was ‘de eerste directe vertaling van het Pali in het Nederlands die afzonderlijk in druk verschijnt’, aldus het voorwoord van haar hoogleraar prof. dr. J. Ensink. Er zou van haar nog een handvol boeken met vertalingen volgen.

Het jaar 1973 bracht een hoogtepunt voor het boeddhisme in ons land: het bezoek van de Dalai Lama. Hij maakte voor het eerst een rondreis door Europa en deed elf landen aan. De Stichting Nederlands Buddhistische Centrum organiseerde zijn verblijf in Nederland, samen met de Theosofische Vereniging, de Soefi-beweging en de zeer actieve Stichting Hulp aan Tibetanen.

De Dalai Lama en zijn mede-lama’s logeerden, bij gebrek aan een boeddhistische centrum, in het Theosofisch Centrum in Naarden. Voorzitter van het ontvangstcomité was prof. Westhoff. Zijne Heiligheid de Dalai Lama hield een toespraak in een bomvolle grote zaal van het Koninklijk Instituut voor de Tropen, en stond op talrijke krantenfoto’s in gezelschap van prins Bernhard, kardinaal Alfrink, ir. Frits Philips of Tibetaanse vluchtelingen.

‘Een eenvoudig goedheiligman’, kopte de NRC. Het toenmalige dagblad De Tijd gaf de essentie het beste weer: ‘Dalai Lama brengt boodschap van Boeddha naar ons land.’ Zijn driedaagse bezoek was de eerste nationale presentatie van het boeddhisme in Nederland, en het was een succes.

Een andere mijlpaal was in dezelfde oktobermaand 1973 de opening van de eerste boeddhistische tempel in Nederland: de Theravada-tempel in Waalwijk en de vestiging daar van twee Thaise monniken, met de eerw. Mettavihari als hoofdmonnik.

3. De vestigingsfase

In de jaren zeventig kwam er een stroomversnelling op gang, de derde fase van de ontwikkeling van het boeddhisme in ons land: de vestiging van tientallen groeperingen van uiteenlopende tradities. Het hing in de lucht. De naoorlogse jeugd was sterk gericht op het buitenland. Veel jongeren reisden in navolging van Amerikaanse hippies naar Azië. Ze kwamen in contact met lama’s, bedelmonniken en zenmeesters. Omgekeerd vestigden meer en meer Tibetaanse en Japanse leraren zich in de Verenigde Staten en Europa.

Nederlandse volgelingen van boeddhistische leraren elders in de wereld gingen hier groepen vormen en het aantal beoefenaren en belangstellenden nam snel toe. Een paar voorbeelden van dit heen-en-weer gereis tussen Europa, Azië en de Verenigde Staten.

Uit de hippiewereld van San Francisco arriveerde in 1970 Paula Koolkin (22) in het ‘magisch centrum’ Amsterdam. Ze ontmoette er Matthy Verwijs, net terug uit Azië. Samen gingen ze op reis en via Afghanistan en India belandden ze in Nepal bij de lama’s Yeshe en Zopa Rinpoche van de Gelugpa-orde.

Terug in Nederland sloot Paula zich aan bij een groepje dat geregeld lama’s uit het Tibetaanse klooster Samye-Ling in Schotland uitnodigde. Uit deze activiteiten ontstond de groepering Karma Deleg Chö Phel Ling, die zich eind 1976 vestigde in de Hamtoren bij Vleuten. Het was het eerste tibetaans-boeddhistische centrum in ons land. Het centrum en zijn vaste leraar, lama Gawang, zijn nu gevestigd in de tempel met de stoepa bij Hantum (Friesland).

De lama’s Yeshe en Zopa Rinpoche uit Nepal reisden op hun beurt naar Europa en in 1979 richtte Paula op hun verzoek het inmiddels alom bekende Maitreya Instituut op.

Nog een ander voorbeeld van vruchtbare, intercontinentale boeddhistische reizen uit de begintijd. Nico Tydeman (1949) had de priesteropleiding van de congregatie van het Heilig Hart gevolgd, maar uit onvrede met de kerk en het geloof was hij er eind jaren zestig mee gestopt. Na enige tijd ging hij zenmeditatie doen in Duitsland bij Karlfried Graf Dürckheim, die van oorsprong rooms-katholiek was. Maar vanaf 1976 reisde Nico elk jaar voor een paar maanden naar het San Francisco Zen Center, gesticht door de Japanse zenmeester Shunryu Suzuki Roshi. Later stapte hij over naar de Kanzeon Sangha van de Amerikaanse zenmeester Genpo Roshi, van wie hij in 2004 de dharma-transmissie als zenleraar ontving.

Intussen organiseerde hij bij het Amsterdamse meditatiecentrum De Kosmos bijeenkomsten, o.a. van reizende boeddhistische leraren als de Vietnamese zenleraar Thich Nhat Hanh, die nu in Frankrijk woont, en de Tibetaanse lama Sogyal die toen in Amerika woonde. In de Kosmos werd al sinds 1969 meditatie-instructie gegeven, eerst vipassana door Bruno Mertens, toen zen door Erik Bruijn en daarna door Nico Tydeman. De Kosmos was in feite vele jaren een belangrijk, onofficieel steunpunt voor het boeddhisme in ons land.

Ook in andere Europese landen kwamen meer en meer boeddhistische groeperingen op en het kon niet uitblijven, er moest overkoepeld worden. In 1975 werd in Parijs de Europese Boeddhistische Unie opgericht waar de Stichting Nederlands Buddhistisch Centrum zich bij aansloot.

Organisatorisch moest er wel iets worden gesleuteld. De EBU was een unie van nationale boeddhistische koepelorganisaties zonder individuele leden. Dat was de Nederlandse stichting niet en dat wilde ze ook niet worden. Daarom werd op 25 juni 1978 een aparte Boeddhistische Unie Nederland opgericht als samenwerkingsorgaan van een aantal boeddhistische groeperingen, om te beginnen acht stuks. Tonny Kurpershoek werd voorzitter. Zo werd de infrastructuur van het boeddhisme verder uitgebreid.

Om verwarring tussen unie en centrum te voorkomen, veranderde de stichting haar naam in Stichting Vrienden van het Boeddhisme, kortweg ‘een ontmoetingsplaats voor vrienden van het boeddhisme’. Voorzitter was ook hier Tonny Kurpershoek, met Victor Westhoff als vicevoorzitter.

Groeperingen doken intussen in alle delen van het land op. De nieuwe aanwas werd merendeels zichtbaar in het tijdschrift Saddharma, dat getrouw melding maakte van de bloei in Boeddhaland. De kunstenaar onder de oprichters van de oorspronkelijke stichting, Bruno Mertens (1914-2010), riep zelf in 1974 een leef- en werkgemeenschap op boeddhistische grondslag in het leven met de naam Tidorp, gevestigd in een groepje caravans in een oude boomgaard onder Haamstede (Zeeland). Tidorp werd opgeheven toen Mertens in 1994 verhuisde naar Nieuw-Zeeland.

Hoe werd er intussen gedacht over de ‘vormgeving van het boeddhisme in het westers cultuurpatroon’ waarvan al in Saddharma no. 1 (januari 1968) sprake was? Een werkgroep, bestaande uit Peter van der Beek, Leo Boer, Tonny Kurpershoek, Rob Janssen en Nico Tydeman, lanceerde in mei 1983 enkele ideeën. (Verderop meer over de achtergronden van Rob Janssen.) De eerste conclusie van de werkgroep was:

'Op langere termijn ware de oprichting van een "Orde van de Boeddha" te bevorderen. Deze orde zou moeten zijn een lekenorde, sober van vormgeving, niet-orthodox, d.w.z. zich baserend op enkele grondbegrippen, die een ieder op zijn wijze gestalte zal dienen te geven.'

Eén persoon was ertegen. Hij werd niet met name genoemd, maar het was Van der Beek. Hij vond zo’n orde niet meer in deze tijd passen, 'een gepasseerd station'. Hijzelf was al eind 1973 uit de orde AMM getreden. Hij had een punt gezet achter alle ‘geëtiketteerde activiteiten’ betreffende het boeddhisme, ongeveer zoals Janwillem van de Wetering een jaar eerder. Vele jaren later stichtte hij toch met Everhard Post, ook oud-lid van de AMM, het kleine meditatiecentrum Bodhimanda in Groningen.

De anderen betwijfelden wel of er al genoeg overtuigde boeddhisten waren voor zo’n orde. 'Aan een bloedarm pogen is waarachtig geen behoefte. Aan een kwijnende organisatie met topzware pretenties evenmin,' aldus Leo Boer. Dat zou wel een erg mager resultaat van de werkgroep zijn. Maar er was nog een conclusie:

'Op korte termijn - gedacht wordt aan 6 tot 12 maanden - ware op te richten een Boeddhistische School of Academie, zulks in nauwe samenwerking met De Kosmos.'

Deze tussenstap was bedacht door Nico Tydeman en het nieuwe bestuurslid Rob Janssen.

Rob Janssen, prof. dr. R.H.C. (1931), hoogleraar in de klinische en persoonlijkheidspsychologie aan de Vrije Universiteit in Amsterdam was, aanvankelijk rooms-katholiek, op het gymnasium in aanraking gekomen met het boeddhisme door zijn leraar Grieks, die tevens universitair docent Pali was. In 1974 trad Janssen toe tot de AMM. Van 1976 tot 1988 was hij priester in de AMM. Apart daarvan was hij van 1982 tot 1998 voorzitter van de Stichting Vrienden van het Boeddhisme (SVB), en dat is hij nu alweer een aantal jaren opnieuw. Zijn eerste wapenfeit in de SVB was in 1984 het Boeddhistisch Leerhuis in de Kosmos. Er werd onderricht gegeven in de praktijk en theorie van meditatie, boeddhistische filosofie en de studie van sutra’s. Het was een succes, dat aanhield tot de voorraad belangstellenden, misschien voorlopig, uitgeput raakte.

De vele nieuwe boeddhisten waren over het algemeen druk bezig binnen hun eigen groepering. Voor andere activiteiten was weinig interesse, ook niet voor de Boeddhistische Unie Nederland. Deze organisatie stond feitelijk in de sluimerstand tot 1989. Na een congres van de Europese Boeddhistische Unie in Parijs blies Rob Janssen de BUN echter nieuw leven in en de jonge boeddholoog Aad Verboom, een vipassana-student van de Thaise monnik Mettavihari, werd voorzitter. De wedergeboorte zou grote gevolgen hebben.

Balans

In 1990 maakte de cultureel antropoloog Victor van Gemert de voorlopige balans op met zijn boek Boeddhisme in Nederland: overzicht van boeddhistische stromingen in Nederland en België. Hij turfde in totaal veertig groepen. Negen waren algemeen gericht, waaronder de SVB en de BUN. Zen en de tibetaans-boeddhistische stroming waren ongeveer gelijk in getal, resp. tien en elf, en theravada telde zes groepen. Er waren vier etnisch groepen (behalve de Thais ook Japans, Chinees en Vietnamees).

Hij schatte het aantal boeddhisten op 16.600, waarvan niet meer dan 4.000 van Nederlandse afkomst en daarvan dan nog de helft ongeorganiseerd. Een flinke verscheidenheid van boeddhistische richtingen was in Nederland opgekomen, maar het aantal deelnemers was nog betrekkelijk gering.

In de jaren negentig kwamen er nog enkele groeperingen bij. Eén ogenschijnlijk stevig gevestigde groep verdween: het Boeddhayana Centrum, met een klooster in Makkinga (Friesland). Deze theravada-groepering werd geleid door de Nederlandse bhikkhu Dhammawiranātha, die in Indonesië in de orde was opgenomen. Hij was een ijverig man die een stroom boekjes met vertalingen over de leer produceerde, een tijdschriftje uitgaf en veel volgelingen wist te trekken. Onder hen waren nogal wat vrouwen tot wie hij niet altijd de voor monniken juiste afstand wist te bewaren. Uiteindelijk legde hij 30 december 2001 zijn pij af en werd de Boeddhayana-organisatie opgeheven.

4. De fase van inburgering en uitbreiding

In 1993 werden twee aanzetten gegeven die het inburgerende boeddhisme meer structuur gaven: een nieuw tijdschrift en een omroep.

De stichting Vrienden van het Boeddhisme besloot Saddharma, het kwartaalblad voor de donateurs, te veranderen in een kwartaalblad dat ook buiten deze beperkte kring mensen met het boeddhisme in contact kon brengen.

In september 1995 verscheen het eerste nummer van het Kwartaalblad Boeddhisme, nog op klein formaat en met een behoudende opmaak om bestaande donateurs niet af te schrikken. Na vier jaar groeide het tijdschrift uit tot magazineformaat.

De Stichting Vrienden van het Boeddhisme kon dit project financieren door een aanzienlijk legaat uit 1978 van de kunstschilder en -handelaar Herman de Rethel Kuyt uit Bergen (NH). Hij was door een radio- of tv-uitzending waarin Tonny Kurpershoek het boeddhisme vertegenwoordigde zo onder indruk geraakt dat hij de stichting in zijn testament opnam. Hierdoor was er een werkkapitaal voor het tijdschrift.

Het blad floreerde, uiteraard op bescheiden schaal, gezien de nog steeds kleine aanhang van het boeddhisme in ons land. Administratief groeide het blad geleidelijk de stichting boven het hoofd en sinds eind 2003 is de boeddhistische uitgeverij Asoka de uitgever. Het verschijnt nu onder de naam BoeddhaMagazine.

Ook een ander boeddhistisch mediaproject, de boeddhistische omroep, heeft zijn oorsprong in 1993. Het idee kwam van een Amsterdamse student en boeddhist, André de Vente. De BUN had weer voldoende levenskracht gekregen om een fors karwei aan te durven. Voorzitter Aad Verboom lanceerde een werkgroep ‘Aanvraag zendmachtiging boeddhistische omroep’. Om zelfs maar een schijn van kans op een zendmachtiging te maken was de cruciale vraag: hoe groot is de boeddhistische achterban? Het werd een langdurige en moeizame operatie.

Najaar 1996 schatte de werkgroep het aantal boeddhisten in Nederland op 33.000 personen van 18 jaar of ouder, waarvan 20.000 immigranten (Chinezen, Vietnamezen, Thais en andere Aziatische boeddhisten). Veel te weinig voor een zendmachtiging, vond het Commissariaat voor de Media. De kans leek verkeken.

Maar de BUN zette door. Onder aanvoering van de Rigpa-boeddhist ir. Jean Karel Hylkema, interim-manager en oud-directeur van Het Financieele Dagblad, de gelauwerde cineaste en Dzogchen-boeddhiste Babeth VanLoo en een nieuwe BUN-voorzitter, prof. dr. Johan Niezing, kwam er uiteindelijk toch per 1 september 2000 een zendmachtiging voor radio en tv. De verlening van deze zendmachtiging betekende de officiële erkenning van het boeddhisme als een gevestigde religie in ons land.

In januari 2001 kwam de Boeddhistische Omroep Stichting (BOS) op het tv-scherm, en ook de radio kon beginnen. Sindsdien kan het boeddhisme elke Nederlandse huiskamer bereiken. De grillige uitzendtijden hebben helaas tot dusver gewoontevorming bij de kijkers ernstig belemmerd.

Volgens een enquête van de afdeling Media-onderzoek en -Advies van de Nederlandse Publieke Omroep in 2009 telt ons land meer dan 830.000 mensen van 18 jaar en ouder met een ‘daadwerkelijke affiniteit’ met het boeddhisme; voor 370.000 mensen is boeddhisme de eerste keus als leidraad bij grote levensvragen. Aan deze explosieve groei van de belangstelling sinds de 900 boeddhisten uit 1971 hebben de onderstaande factoren zeker bijgedragen.
  • Ontkerkelijking: de leegloop van de christelijke kerken is al tientallen jaren aan de gang en het boeddhisme biedt een alternatief voor het christendom.
  • Globalisering: het boeddhisme komt van vele kanten voor talloze mensen dichterbij. De Dalai Lama is de populaire belichaming van deze ontwikkeling.
  • Het maatschappelijke klimaat: consumentisme en keiharde marktwerking wakkeren materiële hebzucht en egoïsme aan, rationalisme en efficiency verdringen het geestelijk leven, maar de behoefte aan zingeving zoekt tegen de verdrukking in een uitweg.
  • De verspreiding van boeddhistische groeperingen over het hele land, van Uithuizen in Noord-Groningen tot Cadzand in Zeeuws-Vlaanderen, brengt de boeddhistische praktijk dichtbij huis.
  • Immigratie: de BUN schatte in 2007 dat er ruim 113.000 boeddhisten van buitenlandse afkomst in ons land zijn.
Door de BUN en de BOS is het boeddhisme de laatste tiental jaren ook officieel zichtbaarder geworden. De universitaire opleiding voor boeddhistisch geestelijk verzorger aan de Vrije Universiteit in Amsterdam is er het meeste recente voorbeeld van. Tegelijkertijd krijgt het boeddhisme meer westerse verschijningsvormen. Zie de verwesterde vipassana-meditatie die populair is geworden onder de naam mindfulness. Het boeddhisme is ingeburgerd.

De Dalai Lama zag het al vroeg aankomen. Op bezoek in ons land in september 1990 zei hij dat het boeddhisme voor veel westerlingen niet zomaar toepasbaar is: ‘Het is beter de essentie van de religie te nemen en daarbij de eigen kenmerken en lokale aspecten te integreren. Dan krijgen we misschien een westers boeddhisme of een Hollands boeddhisme: een tulpenboeddhisme.’ (Citaat uit de Volkskrant van 10 september 1990.)

Het begint erop te lijken.  



Terug naar Archief