Magazine van de stichting Vrienden van het Boeddhisme - 5 maart 2018
WELKOM TEKSTEN ARCHIEF STICHTING CONTACT LINKS ZOEKEN
Artikelen Nieuwsberichten Beschouwingen

‘Is er één Dharma? Of: is er eenheid in de Dharma?’

dr. Han de Wit

Op 11 november 2017 tijdens het 50-jarig jubileum van de stichting Vrienden van het boeddhisme was Han de Wit de eerste van de vier sprekers over het thema ‘Is er één Dharma? Of: is er eenheid in de Dharma?’ In 1977 richtte de godsdienstpsycholoog Han de Wit te Amsterdam het eerste Shambhalacentrum van Europa op. Als wetenschapper verwierf hij internationale bekendheid met zijn onderzoek naar de psychologische inzichten die in spirituele tradities te vinden zijn. De Wit is auteur van onder andere De lotus en de roos: Boeddhisme in dialoog met psychologie, godsdienst en ethiek.

Han de Wit
nderstaande tekst komt uit het voorwoord dat Han de Wit schreef bij ’Chögyam Trungpa, Je Gezonde Kern. Een boeddhistische benadering van psychologie, Ten Have, 2006.’ Deze tekst geeft goed de manier van denken van Han de Wit weer, en daarom gebruikte hij hem als leidraad bij de lezing tijdens de jubileumviering. Op het moment zelf heeft hij zich echter niet aan de tekst gehouden, maar heeft zich laten inspireren door het thema en de aanwezigen. De lezing was dus uniek en is alleen bewaard gebleken in de harten van de aanwezigen. Aan de hand van persoonlijke aantekeningen gemaakt tijdens de lezing (YM) kan nog gemeld worden dat Han de nadruk legde op de veranderingen die de Dharma doormaakt als hij in een andere tijd en in een ander werelddeel wordt onderwezen. Zo zei hij: ’De Dharma ontvouwt zich aan de hand van de vragen van leerlingen’, en ‘de Dharma komt uit de leerlingen vandaan’, kortom, er ontstaan steeds nieuwe vormen waarin de Dharma wordt doorgegeven. Ook benadrukte Han wat volgens hem de kernervaring van het boeddhisme kan worden genoemd: te leven vanuit totale toewijding en openheid. Die totale toewijding kan worden bereikt door in het dagelijks leven een eenworden met de handeling na te streven. Dat kan in muziek, in het eindeloos oefenen van een moeilijke passage op de piano bijvoorbeeld, maar ook tijdens het tuinieren, etc.

Kan de ontwaakte staat worden verwoord in de taal van de niet-ontwaakte staat, op een manier die mensen op weg helpt naar dit ontwaken? Dat was de vraag die de Boeddha zich zeven weken lang stelde, zittend onder de Bodhi-boom, waar hij samyaksambodhi, de staat van Volledig Ontwaakt-zijn, had bereikt. Hij verdiepte zich in die vraag uit compassie voor de niet-ontwaakte mens en in het volle besef dat dit een riskante onderneming zou zijn. Riskant, omdat het gevaar bestaat dat mensen de ontwaakte staat gaan interpreteren in termen van de niet-ontwaakte staat en zo hun begrip ervan op maat van hun huidige begrip snijden. Zijn onderricht, de boeddhadharma zou daardoor vervormd raken tot iets dat ons niet langer kan bevrijden van onze egocentrische en pijnlijke werkelijkheidsbeleving, maar tot iets dat wonderwel in onze niet-verlichte visie lijkt te passen en ons zo juist verder aan die visie bindt.
Dit is een universeel spiritueel probleem, dat ook in onze tijd aan de orde is: ook wij lopen het risico om de boeddhadharma aan te passen aan en in te passen in begrippen en denkwijzen, waarin wij als gewone, niet-verlichte mensen zijn opgevoed en geschoold. Dan zeggen we al gauw, wanneer we de dharma horen: “Ah! Dat beweren mijn lievelingsauteurs Jung, Maslow en Rogers ook!” Of: “Die gedachten vind ik ook bij Kant, Husserl en Wittgenstein”. En zelfs: “Ja, dat zegt de moderne fysica ook!” Als we zo naar de dharma luisteren, horen we nooit iets nieuws. We horen alleen bevestigingen van de visie en de begrippenkaders die we al hebben. Dat is misschien wel prettig, maar we leren er niets van. We zouden dan een geamputeerde – zeg maar gecastreerde dharma – krijgen, die geen enkele spiritueel transformerende potentie meer heeft, maar die tot een prettig intellectueel consumptiegoed is verworden. En voor zover de visie van de Boeddha niet lijkt te passen in onze conventionele begrippenkaders verliezen we dan al gauw alle interesse of verwerpen we haar als ‘niet van deze tijd’. Maar kunnen we iets anders doen dan de boeddhadharma inpassen in onze huidige denkkaders of is dit onvermijdelijk? Is zwijgen – en de Boeddha heeft dat zeven weken lang serieus overwogen – dan toch eigenlijk de enige optie? Of kan men spreken? Een waar dilemma!


De Boeddha loste dit dilemma op een hele praktische manier op: hij begon de bestaande begrippenkaders en denkpatronen, waarmee de mensen in zijn tijd vertrouwd waren, op te rekken in de richting van zijn visie, ze als het ware te infiltreren. Door ze op een iets andere manier te gebruiken in zijn onderricht, begonnen de betekenissen van de termen die hij daartoe gebruikte te verschuiven en wel in een richting die hij heel helder voor ogen had: in de richting van de ontwaakte staat. Vanuit zijn ontwaakte staat keerde hij bestaande termen eens om en om en onderzocht ze op hun mogelijkheden om zijn visie, zij het ook voorlopig en onvolledig, ermee uit te drukken.
Wat hij deed was in zekere zin nieuwe wijn gieten in oude zakken. Maar wel zo, dat deze krachtige wijn inwerkte op het materiaal en de vorm van de zak waarin hij werd gegoten. En wanneer zijn leerlingen zo dan wat los raakten van hun gebruikelijke manier van betekenis toekennen aan deze termen en begonnen te beseffen dat de Boeddha toch wat anders bedoelde dan wat zij aanvankelijk dachten, dan bood de Boeddha weer verder onderricht in termen waarvan de betekenissen nóg weer verder af stonden van de conventionele denkwereld van zijn tijd en cultuur en die weer dichter bij zijn visie stonden. Beginnend met een formulering van zijn realisatie in een taal die dicht bij de conventionele noties van zijn tijd lag, schiep hij zo een reeks van ‘dharma-talen’, die op elkaar voortbouwden en steeds vollediger zijn visie konden overdragen.
Wat de Boeddha deed is kenmerkend voor het boeddhisme als levende traditie. Door de 2500 jaar geschiedenis van het boeddhisme heen, zijn er steeds weer mensen geweest die zich de verlichte visie van de Boeddha hebben eigen gemaakt en die van daaruit in hun tijd en cultuur nieuwe uitdrukkingsvormen zochten en vonden om zijn visie en de weg erheen toegankelijk te maken.


Nu het boeddhisme in het westen steeds dieper wortel schiet is het proces van het ontwikkelen van een westerse dharma-taal gaande. In onze tijd geplaatst, zou de Boeddha ongetwijfeld zijn oog hebben laten vallen op onze gangbare psychologische, filosofische en religieuze begrippenkaders, omdat daarin termen te vinden zijn die over de menselijke geest en ervaring gaan. Maar hij zou dan wel de betekenis van deze termen zó ombuigen, dat de boeddhistische visie op de menselijke geest en ervaring erdoor kan worden uitgedrukt. En dat is precies wat Chögyam Trungpa sinds zijn komst naar het westen is gaan doen.
Chögyam Trungpa Rinpoche is daardoor een van de meest invloedrijke boeddhistische leraren geworden die in de tweede helft van de vorige eeuw vanuit Tibet naar het westen kwamen. Vanuit zijn klassieke boeddhistische training, die hij in Tibet als abt van de kloosters in Surmang had ontvangen, zocht hij naar westerse termen, die zich leenden voor het communiceren van de visie van de Boeddha in onze cultuur en tijd. Zijn studie van de westerse psychologie en filosofie aan de Universiteit van Oxford stelde hem in staat om dat zó te doen, dat wij kunnen horen dat hij iets nieuws zegt in termen die wij wellicht in een ander verband hebben geleerd. Trungpa past niet de boeddhadharma in in psychologische denkkaders en begrippen, maar, andersom, hij past psychologische termen en begrippenkaders in in de presentatie van de dharma. Zoals gezegd, is dat een riskante, maar onvermijdelijke onderneming. Want we kunnen gemakkelijk de indruk krijgen dat Trungpa van de boeddhadharma een psychologie heeft gemaakt, terwijl hij in feite het omgekeerde doet: van begrippen uit de westerse psychologie een voertuig maken dat bruikbaar is om essentiële noties uit het boeddhisme te communiceren. Tussen die twee bewegingen bestaat een spanningsveld.


Ik heb als psycholoog en leerling van Trungpa dat spanningsveld aan den lijve ondervonden. Nadat ik kennis had gemaakt met de boeddhistische visie op de menselijke geest en ervaring, besefte ik dat onze westerse psychologie aan een groot aantal kernthema’s van ons bestaan voorbij gaat. In deze psychologie is weinig tot niets te vinden over hoe om te gaan met levensangst, kortzichtigheid en hardvochtigheid – laat staan over hoe ons daarvan te bevrijden – en over hoe levensmoed, helderheid van geest en compassie te ontwikkelen. Ik begon mij destijds dan ook af te vragen of het wel zinnig was mij met deze psychologie nog langer bezig te houden en legde deze vraag tenslotte voor aan Trungpa Rinpoche. Zijn antwoord was: “Meditate more and study the buddhadharma more. Then go back to psychology”. Dat advies heb ik opgevolgd en dat heeft bij mij, bij terugkeer naar de psychologie, geleid tot het schrijven van onder meer De Verborgen Bloei.
Maar dat spanningsveld is ook voelbaar in de wijze waarop Trungpa zelf zich tijdens zijn leven uitsprak over de westerse psychologie en psychotherapie. Hij liet zich daar bij tijden uiterst kritisch over uit. Dat gebeurde altijd wanneer hij de indruk had dat westerse psychologen en psychotherapeuten de boeddhadharma op maat van hun eigen theorieën probeerden te snijden. Hij noemde dat ‘het redigeren van de boeddhadharma’, waarmee hij het op maat snijden naar westerse ideeën bedoelde. Wanneer hij zag dat bepaalde aspecten van de boeddhistische visie en haar beoefening in een geheel andere, psychologische of psychotherapeutische, context werden geplaatst en als ‘boeddhisme’ werden gepresenteerd, dan verzette hij zich daar met alle kracht tegen, ook in zijn geschriften. Maar wanneer psychologen en psychotherapeuten open stonden voor de inzichten die Trungpa, gebruik makend van termen uit hun eigen discipline, aan hen voorlegde, dan vond hij niet alleen bij deze mensen zijn meest inspirerende en toegewijde gehoor, maar was er ook ruimte voor hem om zijn grote waardering voor de westerse psychologie te uiten. Dan was er ruimte om, geïnspireerd door boeddhistische en de westerse benaderingen, samen met deze mensen te zoeken naar nieuwe psychologische inzichten, nieuwe begrippenkaders en nieuw woordgebruik.  





Terug naar Artikelen