Magazine van de stichting Vrienden van het Boeddhisme - 5 maart 2018
WELKOM TEKSTEN ARCHIEF STICHTING CONTACT LINKS ZOEKEN
Artikelen Nieuwsberichten Beschouwingen

Devadatta, ultieme schurk of miskende heilige?

Yvon Mattaar

De naam Devadatta staat in boeddhistische kringen veelal gelijk aan slecht, verraderlijk, verdorven. Er is vrijwel geen negatieve eigenschap die niet aan hem wordt toegeschreven. Hij is niet alleen de ultieme slechterik in vele Jataka’s, maar ook in diverse soetra’s wordt veel ellende aan hem toegeschreven.

aartegenover staat dat in meer dan twintig jataka’s Devadatta een betere positie heeft dan de Boeddha, wat alleen mogelijk is als hij veel positief karma heeft opgebouwd. En in hoofdstuk 12 van het Lotus-soetra is te lezen dat de Boeddha zijn Verlichting te danken heeft aan het feit dat Devadatta zijn goede vriend was.

De geschiedenis van Devadatta
Volgens de Theravada-traditie was Devadatta de volle neef van de Boeddha en bovendien de broer van de vrouw van de Boeddha, zijn zwager dus. Een zeer nauwe verwant en dus net als de Boeddha uit de Sakya-clan afkomstig, de bevoorrechte krijgers- oftewel heersersklasse van de Sakya-republiek.

Buddha family tree
De details van de geschiedenis van Devadatta variëren, de volgende samenvatting is daarom globaal. Zes jonge Sakya-edellieden besluiten monnik te worden, Devadatta is één van hen. Ze trekken naar de Boeddha en vragen hem om Upali, hun barbier die met hen is meegereisd, vóór hen tot monnik te wijden. Zo wordt Upali hun senior in de monnikenorde en zullen de trotse edellieden hem eer moeten bewijzen: ze kennen zichzelf blijkbaar en willen goed beginnen door hun nederigheid te oefenen.

Devadatta wordt een voorbeeldige monnik en hij verkrijgt bovennatuurlijke eigenschappen, een vaardigheid die vaker wordt toegeschreven aan monniken die ver gevorderd zijn op het Pad. Op een moment dat de Boeddha niet aanwezig is, stelt Devadatta tijdens een bijeenkomst van de monniken voor om extra regels in te voeren, regels die het leven van de monniken soberder en strenger maken. De exacte inhoud van die regels is niet bekend, in sommige tradities zijn het er vier, in andere vijf, maar de teneur is hetzelfde. Alleen nog voedsel eten dat bijeen gebedeld is, dus niet bij mensen thuis de maaltijd bijwonen. Geen vlees of vis meer eten, dus ook geen aalmoezen accepteren waar vlees of vis in zit. Altijd in de open lucht leven, dus ook tijdens de regentijd. Geen kleding accepteren van leken, maar zelf iets bij elkaar zoeken van afvalhopen.

De monniken stemmen hierover, zoals ze vaker stemmen over nieuwe voorstellen, helemaal volgens de regels van de monnikengemeenschap. En vijfhonderd monniken stemmen voor. Hoewel dit een fictief getal is, betekent het in feite: de overgrote meerderheid. Het zijn immers helemaal geen regels die lijnrecht tegen de ideeën van de Boeddha ingaan. In de allereerste jaren na de Verlichting leefden de volgelingen van de Boeddha noodgedwongen zo. Pas toen de Leer van de Boeddha meer bekend werd en hij veel lekenvolgelingen kreeg die aalmoezen gaven, werd het leven van de monniken een beetje minder zwaar. Toch waren een paar belangrijke leerlingen van de Boeddha het niet met Devadatta eens en zij stemden tegen. De Boeddha had namelijk alleen de Verlichting kunnen bereiken door extremen te vermijden, door de weg van het midden te kiezen. Het is dus een stap terug als strenge ascese regel wordt. Devadatta trekt met de groep die hij heeft overtuigd weg.

Deze gebeurtenissen komen Sariputta en Moggallana ter ore en zij overleggen met de Boeddha. Die geeft aan dat de regels van Devadatta in principe prima zijn, en dat elke monnik vrij is om ze te accepteren voor altijd of voor een bepaalde periode, maar dat hij ze niet verplicht wil stellen. Sariputta en Moggallana reizen nu Devadatta achterna. Die is blij verheugd als hij deze twee belangrijke discipelen aan ziet komen: hij is zo overtuigd van zijn gelijk dat hij er klakkeloos vanuit gaat dat Sariputta en Moggallana zijn gekomen om hem te steunen. Hij laat hen de groep monniken onderrichten terwijl hijzelf zich terugtrekt. Sariputta preekt, Mogallana verricht enkele wonderen: maar niet om Devadatta te ondersteunen. Integendeel, zij overtuigen de groep monniken dat Devadatta het bij het verkeerde eind heeft, en leiden hen terug naar de Boeddha. Als Devadatta ontdekt dat hij vrijwel alleen is overgebleven, is hij vanzelfsprekend enorm teleurgesteld. En hij besluit zich af te wenden van de Boeddha – die naar zijn idee zijn gelijke is (naar geboorte in elk geval) – en zijn eigen orde op te richten. De eerste scheuring is een feit.

Boeddha wordt aangevallen
De schurk Devadatta
Maar waarom en hoe is Devadatta dan zo’n schurk geworden? Er is nog het verhaal dat Devadatta de Boeddha zegt dat deze wel van zijn oude dag kan gaan genieten en dat hij, Devadatta, de leiding over de monniken wel van hem overneemt. En er zijn nog de verhalen dat Devadatta meerdere moordaanslagen beraamt op de Boeddha: hij zou struikrovers gevraagd hebben de Boeddha te vermoorden, waarop de Boeddha de struikrovers bekeert. Hij zou een wilde olifant op de Boeddha hebben afgestuurd, waarop de Boeddha door zijn liefdevolle vriendelijkheid de olifant kalmeert. En Devadatta zou een steenlawine hebben veroorzaakt om de Boeddha te verpletteren, hetgeen mislukte, maar waardoor de Boeddha wel een wond aan zijn voet opliep.

De kans dat struikrovers de Boeddha zouden overvallen is niet afwezig. Er waren voldoende onverlaten die het op reizigers hadden voorzien en het is goed mogelijk dat de Boeddha ook als slachtoffer is uitgekozen – het verhaal van Angulimala wijst daar ook al op. Die rovers hoeven dus helemaal niet door Devadatta te zijn gestuurd. Hetzelfde geldt voor die woeste olifant. Er zijn vele verhalen van monniken en nonnen die door liefdevolle vriendelijkheid agressieve dieren tot kalmte weten te brengen. Misschien liep de Boeddha door een smal straatje en was er een kwaadaardige olifant losgebroken, die hij tot kalmte wist te brengen. Opnieuw, daar was Devadatta niet voor nodig. En steenlawines: het Indiase berglandschap waar de Boeddha soms doorheen trok was en is rotsachtig en gevaarlijk. In de vele jaren dat de Boeddha rondtrok zal hij zeker enige lawines hebben meegemaakt, en de verwonding aan zijn voet klinkt authentiek. Het is namelijk lastig te verklaren volgens de wetten van karma, dat de Boeddha zoiets zou overkomen. Het was dus veel eenvoudiger geweest die verwonding maar helemaal weg te laten uit de Nikaya’s, in plaats van het wel te vertellen en er verklaringen voor te verzinnen.

Waarom zou Devadatta dit ook allemaal proberen? Hij had er toch al voor gekozen zijn eigen weg te gaan? In de buurt van Rajagaha stichtte hij zijn eigen orde en hij had vele volgelingen. In het jaar 400 kwam de Chinese monnik Fa-Hsien naar India en in zijn reisverslag berichtte hij over de volgelingen van Devadatta, die vroegere Boeddha’s eer bewezen maar Siddhattha Gotama niet. Dat was vele eeuwen later, een teken dat de orde die door Devadatta was gesticht lange tijd succesvol is geweest. En ook een teken dat Devadatta zich heel duidelijk had afgekeerd van de Boeddha.

Schisma
Devadatta was dus de eerste die een scheuring teweegbracht onder de volgelingen van de Boeddha. De Boeddha zelf probeerde het nog te voorkomen door enerzijds Devadatta gelijk te geven (iedere monnik of non mag zolang hij of zij dat zelf wil die extra regels voor een sober leven volgen) en anderzijds die regels niet verplicht te maken. De Boeddha was een wijze leraar. Hij wist uit eigen ervaring dat strenge ascese contraproductief is om de Verlichting te bereiken. Maar er speelde meer. In zijn latere jaren waren er vele lekenvolgelingen, gewone mensen en machtige heersers. Voor deze mensen was het belangrijk verdienste te kunnen verwerven door monniken en nonnen te steunen. Hun giften in voedsel en kleding zorgden er voor dat nonnen en monniken zich beter konden concentreren op hun meditatiepraktijk, en dat zij de Dhamma konden onderwijzen aan deze leken. Door de breuk met de Boeddha kwamen bovendien zowel Devadatta als de Boeddha in een slecht daglicht te staan, onenigheid in een dergelijke gemeenschap is geen goed teken.

Voor Devadatta waren de gevolgen echter veel ernstiger. Hoewel hij al een heel eind gevorderd was op het Pad, en zich had onderworpen aan de Vinaya-regels, weigerde hij in te zien dat hij geen gelijk had. Hij vond, dat hij de gelijke van de Boeddha was en zijn ideeën dus dezelfde waarde hadden als die van zijn zwager. In plaats van spijt te betuigen, en toe te geven dat hij zich vergist had, verhardde hij in zijn tegenstand. Trots en hoogmoedig, blind voor de verdiensten van de Boeddha, trok hij andere monniken mee, weg van de Dhamma.

De scheuringen na de dood van de Boeddha zijn nog enigszins te begrijpen. Zonder de aanwezigheid van de stichter is niemand zeker wie het bij het rechte eind heeft als er een verschil van mening rijst. Maar de Leraar leefde nog, en Devadatta vond dat hijzelf het beter wist. Iedereen die een inspirerende leraar heeft, kan invoelen hoe het is als een leerling in de openbaarheid de lessen van de leraar in twijfel trekt. En als die leerling zich vervolgens afkeert van de leraar, zullen de verontwaardigde verhalen over de afvallige leerling al snel een steeds negatiever beeld van die leerling geven. En dat is precies wat er ook gebeurde met Devadatta.  

Bronnen
Voor dit artikel is uitgebreid onderzoek gedaan in verschillende bronteksten, namelijk in de diverse Vinaya’s en in de Pali-Canon (de Vinaya, de Majjima-Nikaya, de Khuddaka-Nikaya, in de Jataka’s, in de Milindapanha). Daarnaast is onder andere gebruik gemaakt van de volgende bronnen:

André Bareau, ‘Les agissements de Devadatta selon les chapitres relatifs au schisme dans les divers vinayapitaka’. Bulletin de l’École Francaise d’Extrême Orient, deel 78, 1991, pp. 87-132.
Bhikkhu Sujato, ‘Why Devadatta was no Saint’.
Website Santi Forest Monastery, 2010. Reginald Ray. Buddhist Saints in India. 1994.
Hans Wolfgang Schumann. De historische Boeddha. Nieuwerkerk a/d IJssel: Asoka, 1998.






Terug naar Artikelen