Magazine van de stichting Vrienden van het Boeddhisme - 15 december 2016
WELKOM TEKSTEN ARCHIEF STICHTING CONTACT LINKS ZOEKEN
Artikelen Nieuwsberichten Beschouwingen

RECENSIE

Dromen van een witte olifant, in navolging van de Boeddha

Yvon Mattaar

Yvon Mattaar
aul van der Velde is hoogleraar Aziatische religies aan de Radboud Universiteit te Nijmegen. Hij schreef deze ‘studie in drie delen’ naar aanleiding van de ‘mystieke week’ van 2010, een evenement georganiseerd door het Titus Brandsma Instituut. Het doel was om ‘de Boeddha met een grote groep geïnteresseerden na te volgen’. De drie delen behelzen de voorgeschiedenis, het leven, en de navolging van de Boeddha, waarbij geput is uit alle boeddhistische tradities.

Voor eerdere publicaties heeft de auteur zich onder andere verdiept in upaya of ‘skilful means’, en in de moderne westerse invulling van het boeddhisme. Ook heeft hij middeleeuwse Indiase poëzie uit het Sanskriet vertaald. In deze studie wordt veelvuldig geput uit deze persoonlijke ervaring. Dit heeft verrassende keuzes tot gevolg, die de lezer een andere blik gunnen op bekende gegevens. Om een voorbeeld te noemen: als de schrijver dieper ingaat op het leven van de historische persoon Gautama kiest hij voor informatie uit de Saundarananda. Dit is een vroeg Sanskriet-gedicht waarin de Boeddha in feite een bijrol speelt, de hoofdpersoon is Nanda, zijn halfbroer.

Het eerste deel van het boek is ‘Garbha’, de voorgeschiedenis. In het eerste hoofdstuk wordt al duidelijk, dat niet de woorden (of de vermeende woorden) van de Boeddha of de weinige historische feiten de leidraad zijn van de schrijver. In plaats daarvan kiest hij voor de invulling die de diverse boeddhistische tradities in de loop der eeuwen aan de boeddhistische leer gegeven hebben. Door in te gaan op steeds andere plaatselijke gebruiken, rituelen en invullingen van het boeddhisme krijgt de lezer interessante inkijkjes in een traditie die in het Westen maar heel beperkt gekend wordt.

In het tweede deel, ‘Carya’, de handelingen, bezoekt de schrijver de belangrijke plaatsen uit het leven van Gautama. Hij beschrijft smakelijk en beeldend hoe het toegaat in deze drukbezochte pelgrimsoorden, en wordt duidelijk zelf ook geraakt door de sfeer en de betekenis van deze plaatsen. Zo roept hij tot wel vier maal uit: ‘Hoeveel dichter kun je op de Boeddha zelf komen dan hier?’ Deze persoonlijke band die de schrijver met de Boeddha zegt te voelen, lijkt opmerkelijk genoeg een band te zijn met de historische mens Gautama, en niet zozeer met de verlichte Boeddha. Zo meent van der Velde te lezen dat de verlichte Boeddha woedend wordt, Ananda verwijten maakt en bij het naderen van zijn parinibbana zelfs schijnt te lijden aan ‘een zekere rusteloosheid die hoge leeftijd eigen kan zijn, de rusteloosheid die vele ouderen uit de slaap houdt en hen angsten en wanen kan opleveren’... En ‘op bepaalde momenten lijkt hij (de Boeddha - YM) zelfs zijn verlichte staat bijna te vergeten’. Deze uitspraken staan naast de zonder enig commentaar weergegeven mythische verhalen en legenden, soms zeer bizarre rituelen en wonderen, en de sappige beschrijvingen van persoonlijke ontmoetingen met zwakbegaafde monniken of kloosterpersoneel dat pelgrims bedriegt. Dit maakt het erg moeilijk te begrijpen wat nu de positie van de schrijver zelf is. Hoe denkt hij eigenlijk zelf over het boeddhisme? Ziet hij het als religie of puur als filosofie? Neemt hij de hedendaagse westerse boeddhist niet serieus? Beschouwt hij het boeddhisme in Azië als een achterlijke religie? Deze twijfel over het eigen standpunt van de schrijver zorgt ervoor dat het soms niet duidelijk is hoe de tekst moet worden opgevat.


Droom witte olifant
In het hoofdstuk ‘Sarnath’ lijkt het boek enigszins uit de bocht te vliegen. Nadat de eerste prediking, en de beschrijving daarvan in het Dhammacakkappavattana-Sutta (SN 56.11) is aangehaald, volgt eerst een uitgebreide beschrijving van de boeddhistische hemelen en hellen, waarna in een enkele pagina het begrip anicca (veranderlijkheid) wordt uitgelegd. Dan gaat het verhaal naadloos over in een verhandeling over de paradox van het lichaam, eindigend met een beschrijving van een bizar ritueel uit Myanmar, waarbij alchemisten zich levend laten begraven om het eeuwige leven te verkrijgen. De beschrijving van dit laatste ritueel is zo goed dat het de lezer als het ware het boek intrekt en bij de strot grijpt. Maar aan het einde van het hoofdstuk dringt zich dan wel weer de vraag op hoe dit verhaal zich verhoudt tot de eerste prediking in Sarnath.

Het derde en laatste deel van het boek, ‘Dhatu’, gaat over de navolging van de Boeddha, en belicht in een sneltreinvaart de diverse boeddhistische stromingen die er op dit moment bestaan in Oost en West. De oude tradities in het Oosten worden vergeleken met de vormen die het boeddhisme in het Westen heeft aangenomen. In het Oosten legt men veel nadruk op ritueel en uiterlijk vertoon en is er een duidelijke scheiding tussen Sangha en leken. In het Westen wordt boeddhisme vaak gezien als filosofie, en is meditatie bedoeld als rustmoment in een druk bestaan. De schrijver staat ook even stil bij de omgekeerde beweging, waarbij in het Westen ontwikkelde, op het boeddhisme gebaseerde mindfulness-meditatie weer terugkeert naar het Oosten en omarmd wordt door Aziaten in grote steden als Hongkong, Beijing en Tokyo.

Het allerlaatste hoofdstuk van het boek behandelt het idee van de monnik, non of lekenboeddhist als belichaming van de Boeddha. In dit hoofdstuk beschrijft Van der Velde een met tatoeages overdekte Amerikaanse hippie die zich tot het boeddhisme bekeerde nadat hij aan de zelfkant van de maatschappij bijna ten onder was gegaan. De tattoos van de ex-gedetineerde worden vergeleken met de lakshana’s van de Boeddha, de tekenen van een groot man. Door deze laatste vergelijking wordt het de lezer wel moeilijk gemaakt dit boek serieus te nemen.

Redactie
Het is erg jammer dat het boek zo slordig is geredigeerd. Er is bijna geen pagina zonder kleine tikfoutjes, foutjes die soms nauwelijks opvallen, maar soms pijnlijk kunnen zijn: ‘Een Boeddha is een zogenaamde mahapurusha, een goot mens’ (cursivering YM). Sommige alinea’s, met veel herhalingen en matig lopende zinnen, lijken meer op voorbereidende ongecorrigeerde schetsen dan op een uitgewerkt verhaal, andere delen van de tekst zijn goed en helder geschreven en lopen vlot. De stijl van het boek is ook niet eenduidig: soms is de taal droog-wetenschappelijk en afstandelijk, om dan opeens over te gaan in een persoonlijke anekdote in Jip-en-Janneke-taal. Als een docent leerlingen toespreekt, kan dit goed werken om hen bij de les te houden of om ingewikkelde stof beter toegankelijk te maken. In dit boek dat al zoveel heen en weer springt in tijd en ruimte, verhevigt dit het gevoel van onevenwichtigheid.

Conclusie
Boeddhisme is ‘hot’ op dit moment, en de boekwinkels liggen vol met nieuwe titels om aan de vraag te voldoen. Het niveau van die nieuwe titels is heel divers, en het is voor potentiële lezers vaak lastig om een goede keuze te maken. ‘Dromen van een witte olifant’ lijkt een herhaling van dit probleem binnen één enkele titel: in plaats van geïnteresseerden te helpen, richting te geven, lijkt de schrijver misschien wel bewust geen richting te geven, geen hulp te bieden. Paul van der Velde zet zijn expertise uitdrukkelijk niet in om mensen aan de hand te nemen, maar overlaadt hen met tekstfragmenten, weetjes en anekdotes. Vervolgens laat hij hen helemaal vrij om hier mee te doen wat henzelf goeddunkt. De schrijver springt heen en weer tussen verschillende werelddelen en put uit 2500 jaar boeddhistische geschiedenis. Dit heen en weer springen tussen boeddhistische bronteksten van verschillende tradities, legendes, en plaatselijke gebruiken, vaak zonder bronvermelding, gaat echter al snel irriteren. Dit kan komen omdat er zelden wordt aangegeven of het een curiosum of een – ten minste binnen een bepaalde stroming – algemeen aanvaarde leerstelling of denkwijze betreft. Dit kan natuurlijk een bewuste keuze zijn van de auteur, om de lezer tot nadenken te dwingen, om hem zelf een persoonlijk oordeel te laten vormen, maar in een boek dat een studie belooft te zijn, is enige richting onontbeerlijk. Hoe interessant de weetjes ook zijn, het volledig ontbreken van enige ordening levert vooral verwarring op.

Voor de lezer met een gedegen basiskennis van het boeddhisme bevat dit boek veel interessante fragmenten die uitnodigen tot nader onderzoek. Paul van der Velde is een begenadigd verteller, die op aanstekelijke wijze kan verhalen over zijn persoonlijke belevenissen, en hij beschikt over een fabelachtige schat aan kennis. De lezer echter die zoekt naar uitleg over het boeddhisme, of de fijngevoelige boeddhist die niet tegen spot kan, doet er verstandig aan dit boek te mijden.  

Bron
Van der Velde, P. Dromen van een witte olifant, Damon uitgeverij bv, juli 2010 (256 pagina’s)





Terug naar Artikelen