Magazine van de stichting Vrienden van het Boeddhisme - 15 december 2016
WELKOM TEKSTEN ARCHIEF STICHTING CONTACT LINKS ZOEKEN
Artikelen Nieuwsberichten Beschouwingen

‘Laat de sneeuw op de Foedji-berg smelten’

Voor de lezer van het steeds opschuivende nu

Kees Moerbeek

Toevallig ontdekte ik dat Jacques den Boer ook een fan is van de Rechter Tie-romans. Hij is initiatiefnemer van het Magazine en heeft als journalist van het AD Robert van Gulik geïnterviewd. In Van Guliks werk zijn sporen van het (zen)boeddhisme te vinden, begrijp ik. Den Boer verwees me naar het boekje van Janwillem van de Wetering Robert van Gulik, zijn leven, zijn werk

an de Wetering schrijft: ‘Tie was een magistraat in het oude China. De positie hield in dat hij niet alleen rechter was, maar ook commissaris van politie, burgemeester en hoofd van de belastingen.’ De sinoloog, diplomaat en schrijver Van Gulik maakte Tie bekend. Hij heeft in de jaren 50 en 60 zeventien misdaadromans over hem geschreven. De auteur baseerde Tie op de historische en legendarische magistraat Di Renjie (of Ti Jen-chieh; 630-700).

De Chinese Sherlock Holmes
Robert van Gulik leidde drie levens, volgens zijn biografen. Hij was sinoloog, diplomaat en schrijver (1995). Hij studeerde onder andere sinologie en op 25-jarige leeftijd promoveerde hij tot doctor in de Letteren en Wijsbegeerte. Vervolgens trad hij in diplomatieke dienst en had diverse standplaatsen in het Verre Oosten. Daar wijdde hij zich naar hartenlust aan de studie van de Chinese cultuur en aan zijn andere Aziatische interesses. Tijdens zijn laatste levensjaren was hij ambassadeur in Tokio. Ook daar voelde hij zich op zijn gemak en sprak en schreef voortreffelijk Japans, waarmee hij grote indruk maakte.

Van Gulik’s eerste Rechter Tie-roman was de Engelse vertaling van een 18de-eeuwse Chinese tekst over deze legendarische rechter. De vertaling werd enthousiast ontvangen: Azië had zijn eigen Sherlock Holmes! De Nederlandse vertaling van een van de verhalen uit de 18de-eeuwse tekst, die pas in 1982 verscheen, is van de hand van Janwillem van de Wetering en heet De vergiftigde bruid. Het enthousiasme voor de Engelse vertaling bracht de diplomaat op het idee om de legendarische rechter-detective tot leven te wekken in zelfbedachte misdaadromans. Ze spelen zich af tijdens de Ming-dynastie. Simpele whodunits zijn het niet. Ze zijn gebaseerd op grondige kennis van de Chinese cultuur en de fascinatie van de auteur hiervoor.

Ik ben Tie
Van de Wetering schrijft in zijn boekje Robert van Gulik, zijn leven, zijn werk: ‘Ab Visser vertelde mij eens dat Van Gulik, onder het genot van jenever, hem toefluisterde: “Rechter Tie, dat ben ik.”’ Daar zit op zijn minst een kern van waarheid in, toont Van de Wetering aan in zijn boekje. Tie kwam uit een gegoed milieu, was voorbestemd tot een glansrijke loopbaan en had, net als Van Gulik, een brede belangstelling. Beiden waren goed in talen en onkreukbaar. Maar de rechter ‘drong dieper in de volksziel door dan het Van Gulik mogelijk is geweest.’ En ten slotte bespeelden Tie en Van Gulik beiden de Chinese luit en hielden ze slingerapen (gibbons).

Shui Shih-fang was de echtgenote van Van Gulik en haar familie was ‘Chinees’ boeddhistisch. Dit betekende boeddhistisch gemengd met andere elementen. Volgens haar geloofde Robert ‘een beetje’ in het boeddhisme. Meestal ontweek hij de vraag en als er dan toch een etiket geplakt moest worden dan maar ‘Zen’. De mystiek en de intellectuele exercities ervan trokken hem aan, niet de urenlange meditaties en gebeden. Later noemde hij zich een christen van vóór het concilie van Nicaea in 325. En zijn alter ego Tie?

Veel verheven gedachten
In het nawoord van Moord op het maanfeest schrijft dr. R.H. van Gulik: ‘De drie religies in China waren confucianisme, taoïsme en boeddhisme, waarvan het boeddhisme pas in de eerste eeuw na Christus uit India werd geïntroduceerd. In de zevende eeuw verspreidde zich vanuit India een nieuwe boeddhistische sekte – in China de Tsj’an sekte genaamd – die veel taoïstische elementen incorporeerde….’

Tie hangt net als de meeste keizerlijke ambtenaren de staatsgodsdienst van Confucius aan, maar heeft welwillende aandacht voor het taoïsme. Een citaat uit Het spookklooster: ‘Het taoïsme heeft veel verheven gedachten, het leert dat we goed met goed moeten vergelden en kwaad ook met goed. Maar de leer van kwaad met goed vergelden is alleen van toepassing op een betere wereld dan waar we nu in leven. Ik geef de voorkeur aan de praktische wijsheid van onze Meester Confucius, die onze plichten tegenover onze naasten en tegenover onze maatschappij leert. En goed te vergelden met goed, maar kwaad met gerechtigheid!’ Het pleit voor het taoïsme dat het: ‘tenminste een zuiver Chinees geloof is, en niet een importartikel uit het barbaarse Westen, zoals het boeddhisme!’

In Het spook van de tempel maakt de confucianistische magistraat kennis met de goden van het esoterische boeddhisme. Het is hem een gruwel: halfnaakte woeste demonen en angstaanjagende figuren zijn het, met vele hoofden en armen. Het zijn ‘niet de mooie, serene goden en godinnen van het oudere boeddhisme,’ betreurt Tie. De lokale aanhangers van deze sekte zijn barbaarse boeddhisten. Ze hangen de afbeeldingen boven hun huisaltaar, legt de schilder Lie uit. Hij is landschapschilder, maar doet deze taferelen erbij voor zijn dagelijkse kom rijst. De goden beschermen de gelovigen tegen het kwaad en zorgen voor een lang leven en veel zonen. Tie haalt vol verachting uit: ‘Dwaas bijgeloof!’…‘De oorspronkelijke leer van Boeddha bevat veel verheven gedachten.’ Lie is een verdienstelijk landschapsschilder maar arm. De magistraat oppert: ‘Ik zal u …met genoegen aanbevelen bij mijn kennissen. Maar op voorwaarde dat u stopt met het schilderen van die afstotelijke boeddhistische afbeeldingen!’

De loyale keizerlijke ambtenaar beschermt in Fantoom in Foe-Lai het beeld van ‘Heer Maitreya’: ‘De Keizerlijke Regering heeft genadiglijk haar hoge bescherming verleend aan de Kerk van Boeddha, aangezien de verheven leerstellingen dier kerk geacht worden een goede invloed uit te oefenen op de zeden en gewoonten van ons zwartharig volk.’ Bovendien beschermt het beeld ‘onze zeelieden die op de vier zeeën de baren trotseren.’ Dit is de magistraat ten voeten uit.

Schurftige bedelaar
Tie is dan wel confucianist, maar sommige ontmoetingen met andersdenkenden laten hem niet onberoerd. Visionair noemt Van de Wetering de ontmoeting met meester Kalbas in Halssnoer en kalebas. De meester is een taoïst. Tie rijdt op een paard en denkt na over het ‘zelf’, over wie hij werkelijk is onder zijn voorkomen van de loyale keizerlijke ambtenaar. Hij herkent zich in een figuur die op hen afkomt en zijn spiegelbeeld lijkt. ‘Het mist en de contouren zijn verdoezeld maar er is geen twijfel aan: deze plotseling opdoemende ruiter is de verpersoonlijking van een geheime boodschap.’ Tie weet dat hij is als Kalbas. Ooit was deze een hoge ambtenaar, maar stapte eruit. Tie wil dat ook wel, maar durft de stap nog niet te wagen. Als hij vraagt hoe het zover is gekomen met Kalbas, zegt deze: ‘Leegte, niets dan leegte.’
In de roman vechten Tie en Kalbas met booswichten. Tie is een geoefend strijder, heeft een zwaard en maakt allerlei moeilijke pasjes. Het uitschakelen van een paar tegenstanders duurt even. Kalbas vecht eenvoudiger. Omdat zijn benen verlamd zijn door het vele mediteren, zit en zwaait hij met zijn stok en schakelt zo zijn tegenstanders uit. Kalbas legt uit dat hij zich “leeg” maakt waardoor hij de volmaakte reflectie wordt van zijn vijand.' Vervolgens slaat hij toe.

Sacristein Loe behoort ‘tot het niets’. Met hem heeft Tie een memorabele ontmoeting in Moord op het maanfeest. De zwaarlijvige zenboeddhist beweert boud: ‘De stichter van het taoïsme was een babbelzieke oude dwaas. Hij zei dat zwijgen beter is dan spreken en dicteerde vervolgens een boek van drieduizend woorden…. De Boeddha was een schurftige bedelaar, en Confucius een bemoeizieke pedant.’
Tie’s moordonderzoek leidt naar de tempel van het Subtiele Weten. Tot welke richting behoort de tempel? De sacristein antwoordt: ‘Tot geen enkele richting. Ze zijn erachter gekomen dat de snelste weg naar de uiteindelijke waarheid in de mens zelf besloten ligt. Wij hebben de Boeddha niet nodig om ons te vertellen hoe en waar we die moeten ontdekken.’
Volgens de zenmonnik maakt Tie zich te druk: ‘De mens loopt in een kring, die hij dient te verbreken om zijn ware natuur te vinden. De misdadiger, de egoïstische mens loopt in een klein kringetje. Hou op met je geknoei en wacht rustig af tot hij over zijn eigen voeten valt zodat je hem kunt aanhouden voor je rechtbank slepen.’

Het volgende vers uit de roman Het Chinese lakscherm maakt indruk op de rechter.

‘Geboren worden betekent leed en smarten,
Leven betekent leed en smarten;
Sterven, en nooit meer herboren worden,
Is de enige Verlossing,
De eindelijke Verlossing van leed en smarten.


‘Hij liet het boek zinken. Als volgeling van Confucius voelde hij niet veel voor de leer van de Boeddha. Maar het vers dat hij zojuist gelezen had, paste wonderwel bij zijn stemming. De rechter viel in slaap, zoals hij daar zat met het boek in zijn schoot.’ Slaap is geen ‘eindelijke Verlossing’ van leed en smarten, maar ook het tijdelijke heeft zijn waarde.

Tijdbommen
Recensenten kraakten Een gegeven dag, met als subtitel Een Amsterdams Mysterie af. Van de Wetering noemt het boek waarin zen een grote rol speelt, misdaadlectuur met schoonheidsfoutjes. Volgens Kees Fens was het boek een ‘warboel’ en een ‘dwaze geschiedenis.’ Recensent Paul Haimon schreef in 1964 in het Limburgs Dagblad: ‘Van Gulik zou een behoorlijk boek kunnen schrijven als hij niet vlot een werkje af wilde hebben…helaas menen vele jongeren tegenwoordig dat Zen een soort godsdienst is.’ Van de Wetering beschrijft waarom Kees Fens en collega’s de plank missloegen.

Meneer Hendriks is de hoofdpersoon van het mysterie, waarin hij worstelt met de koan van zijn leven. Hij is boekhouder van de Bijenkorf en woont op een schamele pensionkamer in Amsterdam. Het is weekend en de hoofdpersoon heeft niets te doen, behalve angstig zijn, signaleert Van de Wetering. Hendriks heeft visioenen van zijn verleden als reservekapitein. Tot kort voor de gebeurtenissen in het mysterie zat hij in een Japans kamp waar kapitein Oeyeda van de Kempeitai hem dagelijks martelde. Oeyeda hield de reservekapitein voor een andere Hendriks en liet hem misdaden bekennen waarvan hij niets wist. ‘Zelfs martelen wordt vervelend op den duur, en zo er tussendoor vertelt Oeyeda verhaaltjes. Een van die verhaaltjes gaat over een Zen-koan.’ Oeyeda geeft tussen het martelen door zijn eigen koan aan Hendriks. ‘De vraag die Oeyeda van zijn Zen-meester kreeg is vervat in de zinsnede Laat de sneeuw op de Foedji-berg smelten.’

De oorlog gaat voorbij, Oeyeda wordt opgehangen, Hendriks helpt de rechter daarbij maar de koan blijft. ‘Koans, dat heeft een zenmeester gezegd, zijn tijdbommen die, eens geplaatst, blijven broeien voor ze na veel pijn en smart openbarsten.’ Hoe Hendriks zich toewerkt naar de ‘werkelijke dood’ en naar ‘de verlossing van de pijn’ verklapt dit artikel niet. Hopelijk is dit voldoende aansporing om het mysterie te lezen: ‘De auteur verstond de (heilige) kunst om zodanig buiten zichzelf te treden dat hij het verdriet, zelfs het verdriet van binnen het broze omhulsel van zijn eigen ziel, als een relatief gebeuren ziet, waar een (on)zinnig mens boven mag staan als hij de moed heeft even door te kunnen denken. De recensent van 1964 kon daar nog niet bij, maar de lezer van het steeds opschuivende nu misschien wel.’ Misschien?  

Bronnen
Van de Wetering. J, Robert van Gulik, zijn leven, zijn werk. Amsterdam: Loeb uitgevers, 1989
Barkman, C.D. en H. De Vries-van den Hoeven. Een man van drie levens. Amsterdam: Forum, 1995
Website Rechter Tie.nl
Robert Van Gulik : le jour de grâce





Terug naar Artikelen